Harry Geels: Stop het links-rechts frame – deel 2

Harry Geels: Stop het links-rechts frame – deel 2

Politiek

Door Harry Geels

Vorige week betoogde ik dat het huidige links-rechts frame ernstig tekortschiet. Deze week zoom ik in op de linkerhelft van mijn politieke assenstelsel. Ook daar blijken de verschillen veel groter dan vaak wordt aangenomen.

Wie een willekeurige studentenkamer binnenloopt, heeft een redelijke kans om het beroemde portret van Che Guevara tegen te komen. Voor sommigen is hij een vrijheidsstrijder die opkwam voor de onderdrukten. Voor anderen is hij een gewelddadige revolutionair die medeverantwoordelijk was voor executies na de Cubaanse revolutie. Interessant genoeg zijn beide groepen het vaak over één ding eens: Che was ‘links’. In de column van vorige week heb ik aan de hand van drie argumenten en de vele verschillende partijen op ‘rechts’ beargumenteerd waarom het links-rechts frame niet deugt.

Dit frame is onnodig simplistisch en daardoor stigmatiserend en polariserend. Er zijn zóveel grijstinten, dat een etiket van links of rechts al snel intellectueel armoedig is en diepgaand analyseren in de weg staat. Tot slot veranderen politieke stromingen nog weleens van mening, radicaal zelfs. Wie had bijvoorbeeld ooit gedacht dat socialisten nu de bewapening en het leger zouden omarmen! Langs het continuüm van grote versus kleine staatsinmenging zien we een grote diversiteit aan stromingen. In onderstaande figuur worden de stromingen in de linkerkwadranten getoond.

Che was niet Marx

Voor veel mensen begint en eindigt de ‘linkse’ politiek bij Karl Marx. Toch zou Marx zich waarschijnlijk niet zonder meer herkennen in veel bewegingen in de twee linkerkwadranten van mijn assenstelsel. Marx ontwikkelde vooral een theorie over geschiedenis, klassenstrijd en economische ontwikkeling. Volgens hem zou het kapitalisme uiteindelijk leiden tot grote concentraties van kapitaal. Zijn visie kwam uit, maar – zoals hier betoogd – niet, of slechts gedeeltelijk, om de redenen die hij aangaf.

Che Guevara hield zich met iets heel anders bezig. Zijn centrale vraag was niet hoe het kapitalisme zich zou ontwikkelen, maar hoe een revolutie actief tot stand kon worden gebracht. Anders dan Marx geloofde hij niet dat men rustig moest afwachten totdat de economische omstandigheden rijp waren. Een kleine revolutionaire voorhoede moest volgens hem de vonk ontsteken die een revolutie in gang zou zetten. Che representeert daarom niet zozeer het klassieke marxisme, maar eerder wat men in mijn schema revolutionair communisme noemt.

Trotski versus Stalin

Er zijn meer grijstinten. Neem Leon Trotski, een van de leiders van de Russische Revolutie. Ook hij was een revolutionair, maar op een andere manier dan Che. Trotski geloofde in een permanente internationale revolutie. Het socialisme kon volgens hem uiteindelijk alleen slagen wanneer het zich over meerdere landen verspreidde. Daarmee kwam hij lijnrecht tegenover Stalin te staan. Opmerkelijk genoeg worden Trotski en Stalin tegenwoordig vaak beiden simpelweg als ‘communist’ aangeduid, terwijl hun opvattingen fundamenteel verschilden. Stalin verdedigde juist het idee van ‘socialisme in één land’ en bouwde een sterk gecentraliseerde, autoritaire staat.

Kropotkin en Bakoenin

De Russische denkers Kropotkin en Bakoenin verwierpen beiden de natiestaat. Bakoenin legde daarbij de nadruk op de revolutionaire omverwerping van macht, terwijl Kropotkin vooral bekend werd door zijn visie op vrijwillige samenwerking en wederzijdse hulp als basis voor een stateloze samenleving. Verder zag Bakoenin nog een rol voor beloning naar geleverde arbeid binnen collectief eigendom. Kropotkin ging verder richting anarchocommunisme: productie en distributie moesten volgens hem plaatsvinden op basis van behoeften, zonder lonen of geld als organiserend principe.

Chomsky

Tot slot is Noam Chomsky nog een bijzondere casus, omdat hij zich een socialistische libertariër noemde. Hij had met de bekende klassieke libertariërs als Milton Friedman en Friedrich Hayek (zie vorige column) gemeen dat hij de economische macht van grote bedrijven en een grote overheid wilde beperken. Klassieke libertariërs zagen echter vrije markten en privaat eigendom als oplossing voor machtsconcentraties, terwijl Chomsky economische democratie via arbeiderszelfbestuur en vrijwillige samenwerking nastreefde. Chomsky laat zien dat ogenschijnlijke tegenpolen hetzelfde politieke doel kunnen nastreven maar dat (net) anders invullen.

Fascisme

Fascisme zal in mijn schema of assenstelsel wellicht de meeste discussie oproepen, omdat het in het publieke debat vaak in één adem wordt genoemd met ‘rechts’ of zelfs ‘extreemrechts’. In mijn assenstelsel komt het linksboven terecht. De reden is dat ik politieke stromingen niet primair rangschik op basis van de polariserende links-rechtsindeling, maar op basis van de visie op staatsmacht en nationale soevereiniteit. Fascistische regimes kenden een sterke en autoritaire staat, een ondergeschikt individueel belang, vergaande sturing van de samenleving en een nauwe verwevenheid tussen overheid en bedrijfsleven via corporatistische structuren. Tegelijkertijd was het fascisme gewelddadig anti-socialistisch, verdedigde het privébezit en hiërarchie, en zocht het juist de industriële elite op.

Tegelijkertijd waren de fascisten sterk nationalistisch. In mijn model plaatst die combinatie van verregaande collectieve sturing en nationalisme het fascisme daarom in het linkerbovenkwadrant. Dat betekent niet dat fascisme hetzelfde is als communisme of socialisme, maar wel dat deze stromingen een belangrijk kenmerk delen: de overtuiging dat het collectief uiteindelijk boven het individu staat. Historisch gezien verschilden zij vervolgens fundamenteel over zaken als klasse, eigendom, nationalisme en internationalisme.

Ik sta niet alleen in deze visie. Denkers als Ludwig von Mises en Friedrich Hayek wezen erop dat fascisme en socialisme ondanks hun onderlinge vijandschap belangrijke kenmerken delen, zoals de ondergeschiktheid van het individu aan collectieve doelen en een grote rol voor de staat.

Waarschijnlijk nog meer stromingen

De hier benoemde politieke stromingen zijn waarschijnlijk nog niet volledig. We kennen bijvoorbeeld ook nog het radencommunisme van de Nederlanders Anton Pannekoek en Herman Gorter. Hun anti-autoritaire, anti-parlementaire marxisme (arbeidersraden in plaats van een partij of een staat) vormt precies de brug tussen de autoritaire communisten linksboven en de anarchisten linksonder. Het sterkt ook mijn idee dat ‘communist’ een verzamelnaam is voor tegenpolen. En wat te denken van Pierre-Joseph Proudhon’s mutalisme dat sterk tegen Chomsky’s socialistisch libertarisme aanschurkt?

Slotgedachte

Wat hebben Stalin, Che Guevara, Trotski, Chomsky, Kropotkin enerzijds en autoritair nationalisme, fascisme en groen socialisme of globalistisch socialisme anderzijds met elkaar gemeen? Veel minder dan het publieke debat suggereert. Ze verschillen van mening over de rol van de staat, over eigendom, over internationale samenwerking, over revolutie versus hervorming en zelfs over de vraag of een natiestaat überhaupt zou moeten bestaan. Als we deze stromingen (extreem)links noemen, verliezen we precies die verschillen die politiek interessant maken.

Politieke stromingen vormen geen rechte lijn met links aan de ene kant en rechts aan de andere. Het politieke landschap lijkt veel meer op een wereldkaart met uiteenlopende tradities, die soms dichter bij elkaar staan dan gedacht en soms juist mijlenver uit elkaar liggen. Che Guevara, Stalin en Kropotkin zouden we bijvoorbeeld alle drie communisten kunnen noemen. Toch geloofde Stalin in een sterke gecentraliseerde staat, streefde Che naar revolutionaire voorhoedepolitiek en wilde Kropotkin de staat juist volledig afschaffen.

Het links-rechts frame vervangt die verschillen door één etiket. En hoe meer we naar die etiketten kijken, hoe minder we begrijpen van de ideeën erachter.

Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels

 

Meer columns van Harry Geels