Harry Geels: Ageïsme te lijf met een negatieve inkomstenbelasting

Harry Geels: Ageïsme te lijf met een negatieve inkomstenbelasting

Politiek

Door Harry Geels

Het discrimineren van ouderen op de arbeidsmarkt is een bekend verschijnsel. Tegelijkertijd willen veel mensen langer actief blijven in de maatschappij. De discussie over verhoging van de pensioenleeftijd laat zien hoe lastig het huidige stelsel hiermee omgaat. De eerder door mij voorgestelde negatieve inkomstenbelasting kan beide uitdagingen tegelijkertijd helpen oplossen.

In discussies over de arbeidsmarkt valt op hoe sterk ons denken wordt bepaald door leeftijd. Jongeren moeten worden geholpen aan werkervaring. Middengroepen moeten productief blijven. Ouderen moeten met pensioen. Achter die benadering schuilt een impliciete aanname: dat leeftijd bepaalt welke plek iemand in de samenleving hoort in te nemen. De werkelijkheid is diverser. Een bouwvakker is waarschijnlijk op zijn drieënzestigste fysiek opgebrand. Een hoogleraar staat daarentegen eerder op zijn tweeëntachtigste nog met zichtbaar plezier voor de collegezaal.

Toch probeert de overheid via een wirwar van regels, uitkeringen en pensioenvoorzieningen deze enorme variatie in een beperkt aantal hokjes onder te brengen. Dat leidt niet alleen tot bureaucratie, maar ook tot ongewenste neveneffecten zoals ageïsme. Opvallend genoeg komt ageïsme juist veel voor in sectoren als technologie, finance, marketing en media. Vooral de financiële sector springt daarbij in het oog. Terwijl veel financiële aanbieders de afgelopen jaren hebben geïnvesteerd in diversiteits- en inclusieprogramma's (DEI), blijkt leeftijd vaak een vergeten dimensie van diversiteit. Blijkbaar geldt inclusie niet altijd voor ouderen.

De kunstmatige scheidslijn van pensionering

Ons huidige stelsel creëert een scherpe grens tussen werken en niet-werken. Vanaf een bepaalde leeftijd ontstaat recht op AOW en aanvullend pensioen. Hoewel doorwerken regelmatig mogelijk is, blijft de institutionele boodschap duidelijk: nu breekt een andere levensfase aan. Voor werkgevers kan dat een signaal zijn om minder te investeren in oudere werknemers. Voor werknemers kan het een prikkel zijn om volledig te stoppen, terwijl zij wellicht nog best enkele dagen per week actief hadden willen blijven. Hierdoor gaat ervaring verloren en verdwijnt menselijk kapitaal dat nog prima inzetbaar is.

De vergrijzing maakt dit vraagstuk alleen maar urgenter. Steeds meer mensen zijn gezond en vitaal tot ver na hun formele pensioenleeftijd. Tegelijkertijd kampen veel sectoren met personeelstekorten. Het is dan merkwaardig dat ons stelsel nog steeds uitgaat van een tamelijk abrupte overgang van werk naar pensioen. Een abrupte overgang is ook psychisch vaak een probleem. Werk is voor veel mensen meer dan een bron van inkomen. Het biedt structuur, sociale contacten, status en zingeving. Wanneer dat van de ene op de andere dag wegvalt, blijken veel ouderen moeite te hebben een nieuw evenwicht te vinden.

Niet de reden, maar het inkomen

Een negatieve inkomstenbelasting (NIB) vertrekt vanuit een heel andere filosofie. Het uitgangspunt is niet de vraag waarom iemand weinig verdient, maar dát iemand weinig verdient. Of anders: de vraag is niet waarom iemand arm is, maar óf iemand arm is. Dat lijkt een klein verschil, maar het verandert vrijwel alles. Het merkwaardige van onze verzorgingsstaat is dat de overheid eerst precies wil weten waarom iemand onvoldoende inkomen heeft voordat zij bereid is te helpen. Is iemand werkloos? Dan geldt regeling A. Is iemand arbeidsongeschikt? Dan geldt regeling B. Is iemand gepensioneerd? Dan geldt regeling C. Betaalt iemand huur? Dan volgt loket D.

Daarnaast belanden we al snel in een oerwoud van uitzonderingen. Een NIB draait deze logica om. De overheid kijkt niet naar de categorie waarin iemand valt, maar naar het inkomen dat iemand daadwerkelijk heeft. Dat maakt het systeem niet alleen veel eenvoudiger, maar ook menselijker. Juist bij ouderen wordt zichtbaar hoe krachtig dit principe kan zijn. Stel dat iemand van zeventig jaar nog twee dagen per week wil werken als adviseur, mentor of docent. In het huidige systeem komt die persoon terecht in een complex samenspel van AOW, pensioenrechten, belastingregels en aanvullende voorzieningen.

Een wapen tegen ageïsme

Met een NIB is de situatie veel eenvoudiger. Wie voldoende verdient, ontvangt geen aanvulling. Wie minder verdient dan het maatschappelijk minimum, ontvangt automatisch een gedeeltelijke aanvulling. Daardoor ontstaat een geleidelijke overgang van volledig werken naar volledig stoppen. Mensen kunnen hun arbeidsdeelname afbouwen in een tempo dat past bij hun gezondheid, wensen en mogelijkheden. Sommigen zullen langer blijven werken. Anderen zullen juist eerder minder gaan werken. Beide keuzes worden gerespecteerd.

Bovendien ontstaat er een bredere arbeidsmarkt voor ouderen. Veel werkgevers hebben geen behoefte aan een oudere werknemer die nog vijf dagen per week beschikbaar is, maar wel aan iemand met ervaring die één of twee dagen per week kennis kan overdragen, begeleiden of adviseren. Het huidige systeem is sterk gericht op volledige arbeidsparticipatie of volledige pensionering. Een NIB maakt allerlei tussenvormen aantrekkelijker.

Dat heeft nog een tweede voordeel. Ageïsme ontstaat vaak doordat leeftijd wordt gebruikt als proxy voor productiviteit. Werkgevers redeneren dat een oudere werknemer duurder is, meer risico vormt, of nog maar beperkt inzetbaar zal zijn. Een systeem waarin inkomensaanvulling en werk geleidelijk kunnen worden gecombineerd, verlaagt die drempel. Ouderen hoeven niet noodzakelijk een voltijdsfunctie te vervullen om economisch actief te blijven. Het doel verschuift van ‘doorwerken tot een bepaalde leeftijd’ naar ‘participeren zolang dat voor beide partijen waardevol is’.

Weg van het groepsdenken

De verzorgingsstaat is grotendeels opgebouwd rond groepen. Ouderen, kinderen, gehandicapten, werklozen, studenten, arbeidsongeschikten en alleenstaande ouders hebben elk hun eigen regelingen, loketten en uitzonderingen. Dat systeem veronderstelt dat de overheid mensen eerst moet classificeren voordat hulp mogelijk is. Een NIB vertrekt vanuit een radicaal eenvoudiger uitgangspunt: mensen zijn in de eerste plaats individuen en gezinnen. Het enige relevante is of het inkomen onder een bepaald niveau ligt. Veel administratieve lasten en groepstigma's vervallen.

Meer vrijheid, minder hokjes

Ageïsme zal nooit volledig verdwijnen. Mensen zullen elkaar waarschijnlijk altijd beoordelen op kenmerken zoals leeftijd, uiterlijk of achtergrond. Beleid kan die neiging versterken of juist verzwakken. Ons huidige stelsel doet het eerste. Het benadrukt verschillen tussen groepen en koppelt daar uiteenlopende rechten en plichten aan. Een NIB kiest de tegenovergestelde route. Niet leeftijd, gezondheid, gezinssituatie of arbeidsverleden staat centraal, maar het inkomen dat iemand daadwerkelijk heeft. Daarmee verschuift de aandacht van groepen naar individuen en wordt ageïsme sterk verminderd.

Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels

 

Meer columns van Harry Geels