Harry Geels: De ‘we-hebben-het-toch-zo-goed’-drogreden

Harry Geels: De ‘we-hebben-het-toch-zo-goed’-drogreden

Politiek

Door Harry Geels

Er bestaat een merkwaardige dooddoener in het Nederlandse publieke debat. Zodra iemand klaagt over de hoge belastingdruk, de problemen op de woningmarkt, of de kosten van extra defensie-uitgaven, duurt het niet lang voordat een ander zegt: ‘Maar we hebben het hier toch ontzettend goed?’

En dus, zo luidt de conclusie, moeten we niet te veel zeuren over hogere belastingen of andere ongemakken. We kunnen het immers prima hebben. Het klinkt sympathiek en redelijk. Maar logisch gezien rammelt de redenering aan vier kanten.

1) Het volgt er simpelweg niet uit

De eerste logische kanttekening is de non sequitur: de conclusie volgt niet uit de premisse. Stel dat Nederlanders inderdaad tot de rijkste of gelukkigste mensen ter wereld behoren. Dan weten we nog steeds niet of een verhoging van de inkomstenbelasting, de btw of de belasting in box 3 verstandig is. Dat Nederland welvarend is, bewijst evenmin dat de belastingdruk optimaal is. Misschien zijn we welvarend dankzij ons belastingstelsel, misschien ondanks ons belastingstelsel.

Waarschijnlijker is dat onze welvaart het resultaat is van een complexe combinatie van ondernemerschap, internationale handel, rechtszekerheid, infrastructuur, technologie en goed functionerende instituties. Wie vanuit onze huidige welvaart rechtstreeks concludeert dat de belastingdruk dus nog wel wat omhoog kan, slaat al die tussenstappen over. Relevantere vragen zijn of een belasting de maatschappelijke welvaart verhoogt, welke gedragsreacties zij veroorzaakt en of de opbrengst wel opweegt tegen de economische kosten.

Dezelfde fout wordt onmiddellijk zichtbaar wanneer we de non sequitur-redenering op andere situaties toepassen. ‘De cv-ketel heeft nog nooit problemen gehad, dus kunnen we voortaan wel stoppen met het jaarlijkse onderhoud.’ Of: ‘Er zijn rokers die heel oud worden, dus kunnen we er nog wel eentje opsteken.’ We herkennen direct dat dit ondeugdelijke gevolgtrekkingen zijn. Maar wanneer wordt gepleit voor een ‘eerlijkere’ verdeling van de lasten, lijken we minder gevoelig voor logica.

2) Kunnen betalen is iets anders dan moeten betalen

In het verlengde daarvan wordt draagkracht verward met wenselijkheid. Als iemand € 100.000 verdient, kan die persoon waarschijnlijk een belastingverhoging van € 1.000 dragen. Maar daarmee is nog niet aangetoond dat het heffen van die € 1.000 een goed idee is. Daarvoor zouden we minstens moeten weten wat de overheid met dat geld doet, welk maatschappelijk rendement daarmee wordt bereikt en welke economische effecten de belastingheffing aan de andere kant veroorzaakt. Belastingen kunnen immers het gedrag van mensen beïnvloeden, zoals de bereidheid om te werken, te sparen, te investeren en te ondernemen.

De redenering ‘we zijn rijk, dus kunnen we meer belasting betalen’ beantwoordt alleen de vraag of het financieel kan, niet of het moet of wenselijk is. Ik kan iedere maand misschien best € 200 extra aan mijn energieleverancier betalen zonder in financiële problemen te komen. Dat is nog geen argument om mijn energierekening met € 200 te verhogen. Daarvoor moet eerst worden uitgelegd waarom die verhoging nodig is en wat ik ervoor terugkrijg. Hetzelfde geldt voor belastingen. Draagkracht kan een relevante overweging zijn bij de verdeling van de lasten, maar zij is geen zelfstandig bewijs dat een lastenverzwaring economisch verstandig, doelmatig of rechtvaardig is.

3) Elders is het erger, dus hier bestaat het probleem niet

Rijkdom en geluk zijn relatieve begrippen. Impliciet wordt bij het we-hebben-het-toch-zo-goed-argument een vergelijking gemaakt met mensen of landen die het slechter hebben. Dit staat bekend als de fallacy of relative privation: een probleem of bezwaar wordt gerelativeerd door er (impliciet) op te wijzen dat elders grotere problemen bestaan. Dat de gezondheidszorg in land A slechter functioneert, vertelt ons niet of de Nederlandse gezondheidszorg efficiënter kan. En dat inwoners van land B armer zijn, vertelt ons niet of een Nederlandse belasting doelmatig of rechtvaardig is.

Sterker nog, vrijwel iedere maatschappelijke kritiek kan op deze manier onmogelijk worden gemaakt. Er is immers bijna altijd wel iemand te vinden die het slechter heeft. Wie pas kritiek mag leveren wanneer nergens ter wereld een groter probleem bestaat, mag uiteindelijk nergens meer kritiek op leveren. Welvaart zou daarom geen argument moeten zijn om kritiek te smoren. Zij geeft ons juist de ruimte én de verantwoordelijkheid om kritisch te blijven.

4) Maar wat betekent ‘het goed hebben’ eigenlijk?

Dan blijft er nog een fundamenteler knelpunt over. Staat gelukkig zijn, of het goed hebben, gelijk met een hoog inkomen, een lange levensverwachting, een goede gezondheid, veel sociale contacten, persoonlijke vrijheid, bestaanszekerheid, of zingeving? Iedere ranglijst is afhankelijk van de manier waarop het begrip wordt afgebakend en gemeten. Wanneer psychische belasting, langdurige stress, burn-outklachten of gevoelens van zinloosheid anders of zwaarder worden meegewogen, kan ook het beeld van een ‘gelukkig’ land veranderen.

We moeten dus voorzichtig zijn wanneer zo’n ranglijst in een politiek debat wordt gebruikt alsof daarmee iets definitiefs is bewezen. Maar zelfs als Nederland aantoonbaar een van de gelukkigste en welvarendste landen ter wereld is, blijft de kern van mijn bezwaar overeind. Ook dan zegt die constatering nog niets over de wenselijkheid van een volgende belastingverhoging.

Een waardeoordeel vermomd als conclusie

Waarschijnlijk hebben we het in Nederland inderdaad goed. Maar daaruit volgt niet dat iedere belastingverhoging verstandig is, iedere overheidsuitgave nuttig is, of iedere klacht gezeur is. Achter de redenering ‘we hebben het goed of we zijn zo gelukkig, dus kunnen we wel meer belasting betalen’ gaat meestal een verzwegen normatief oordeel schuil: mensen die het goed hebben, behoren méér af te dragen.

Dat kan uiteraard een politieke of morele overtuiging zijn. Maar het is geen economische conclusie die automatisch uit onze welvaart voortvloeit. Het is een waardeoordeel. Dat we het goed hebben, is een prima reden om dankbaar te zijn, maar een beroerde reden om een belastingtarief vast te stellen.

Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels

 

Meer columns van Harry Geels