De Wtp-transitie: De lessen Paul van Gent (BpfBOUW)

De Wtp-transitie: De lessen Paul van Gent (BpfBOUW)

Pensioenstelsel

Paul van Gent, Bestuurslid, BpfBOUW, maakte op 1 januari 2026 de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Hij deelde zijn ervaringen met Financial Investigator.

Door Esther Waal

Hoe is de transitie verlopen?

‘Succesvol. Het was een zeer intensief en complex proces waarbij met veel stakeholders geschakeld is. Sociale partners en de eigen fondsorganen (VO en RvT), onze uitvoerder APG en de toezichthouders DNB en AFM waren hiervan de belangrijkste. De voorbereidingen voor de transitie zijn al in 2021 gestart, dus voordat de Wtp was aangenomen door de Eerste Kamer op 30 mei 2023. Er was een nieuwe regeling nodig en het invaren moest worden vormgegeven. Dit was vooral een proces tussen het fonds en sociale partners en kende veel uitwisseling. Bij onze uitvoerder APG lag de nadruk op de datakwaliteit en het gereedmaken van de nieuwe processen en systemen. Zo moest er bijvoorbeeld een verbindingsfunctie worden gerealiseerd tussen de pensioenadministratie en het vermogensbeheer. In het oude stelsel stonden deze administraties los van elkaar, omdat er geen directe koppeling was van rendement naar de individuele aanspraken.’

Waarom is gekozen voor januari 2026 om de transitie te maken?

‘Het belangrijkste was dat het fonds en sociale partners veel vertrouwen hadden in het nieuwe stelsel en zo snel mogelijk gebruik wilden maken van de voordelen ervan. Die voordelen zitten vooral in de veel kleinere buffers, waardoor rendement veel eerder bij onze deelnemers terechtkomt. De vroegst mogelijke datum waarop we de transitie konden doen was 1 januari 2026. Hier zijn we voor gegaan en dat hebben we dus gehaald.’

 

De belangrijkste les is om in aanloop naar het invaarmoment frequent te blijven monitoren op welke portefeuillesamenstelling en rente­ afdekking na de transitie moet worden gestuurd.

 

Waren er aanpassingen in de portefeuille nodig?

‘Er zijn beperkte aanpassingen aan de portefeuille nodig geweest om die in lijn te brengen met het strategische beleggingsbeleid onder de nieuwe SPR. Dit ging allereerst om aanpassingen aan de allocaties naar liquide beleggingscategorieën. Deze aanpassingen hebben begin januari zonder problemen plaatsgevonden. De benodigde aanpassingen waren niet zozeer nodig door bewuste keuzes om allocaties aan te passen, maar zijn voornamelijk ingegeven doordat de verdeling tussen matching en return dynamisch is onder de SPR. Ten tweede ging het om aanpassingen aan de allocaties naar minder liquide beleggingscategorieën. Hiermee is gestart, maar deze worden geleidelijk over een langere periode geïmplementeerd. En tot slot was er de verhoging van de renteafdekking. Die was nodig omdat onder de Wtp de renteafdekking dynamisch is, afhankelijk van de ontwikkeling van pensioenvermogens. De verhoging van de renteafdekking is gespreid uitgevoerd en inmiddels afgerond.’

Wat zijn nu na de transitie de belangrijkste aandachtspunten?

‘Wat betreft de beleggingsportefeuilles is dit het monitoren van de mate waarin de norm-allocaties voor matching & return en de target voor de renteafdekking variëren en welke bijsturing (qua frequentie en omvang) er nodig is. Er is beleid geformuleerd over hoe om te gaan met afwijkingen in de feitelijke portefeuille. Dit beleid wordt in de praktijk getoetst.’

Wat is de belangrijkste les voor partijen die de transitie nog gaan maken?

‘De belangrijkste les is om in aanloop naar het invaarmoment frequent te blijven monitoren op welke portefeuillesamenstelling en renteafdekking na de transitie moet worden gestuurd. Doordat zowel de verdeling tussen matching en return als de renteafdekking dynamisch zijn onder de SPR, zijn dit geen vaste targets. Door een goed beeld te hebben waarop gestuurd moet gaan worden, kan een beoordeling gemaakt worden of dit direct na het invaren gerealiseerd kan worden, of dat dit langer gaat duren. In het laatste geval kan worden overwogen om bepaalde aanpassingen eventueel al voor de invaardatum in gang te zetten, om daarmee na invaren de afwijkingen ten opzichte van het strategische beleggingsbeleid – dat een afspiegeling van de risicohouding is – te beperken, zowel in omvang als in duur.’

 

Lees hier de special in Financial Investigator magazine