Harry Geels: De vijf denkfouten van Piketty
Harry Geels: De vijf denkfouten van Piketty
Door Harry Geels
In zijn recente rapport zet Thomas Piketty opnieuw een ambitieus wereldbeeld neer. Klimaatverandering, ongelijkheid en economische structuur worden daarin samengebracht in één groot project. Maar in zijn oplossingen schuilen vijf systematische denkfouten.
Het nieuwe Global Justice Report van Piketty cum suis leest als een agenda voor een nieuwe wereldeconomie: één waarin we zouden moeten erkennen dat welvaart en klimaat niet los van elkaar kunnen worden gezien en dat echte vooruitgang alleen mogelijk is als we de ongelijkheid fors terugdringen, onze consumptie matigen en de opbrengsten van globalisering eerlijker verdelen. Er wordt een nieuwe democratische wereldorde voorgesteld omdat anders zowel de groene als de sociale transitie zouden blijven steken.
Het rapport stelt dat het tegen het jaar 2100 technisch mogelijk is om zowel de opwarming van de aarde te beperken als de levensstandaard van de grote meerderheid van de wereldbevolking te verhogen, maar alleen als we tegelijk vier dingen doen: razendsnel verduurzamen, minder verspillen, minder werken, en een stevige mondiale herverdeling doorvoeren, met zware belastingen op topvermogens (tot wel 20% per jaar voor multimiljonairs en miljardairs). De kernboodschap: ongelijkheid is dé bottleneck voor klimaatbeleid en brede welvaart.
Piketty’s streven naar een schoner klimaat en minder ongelijkheid is nobel. Dat kan echter niet gezegd worden van zijn plan. Sterker nog, hij maakt vijf denkfouten.
1) De financiële denkfout: ‘rendement zonder risico’
Piketty denkt te gemakkelijk over vermogensopbouw. Vermogensgroei is geen stabiel rente- of rendementsproces, maar het resultaat van volatiliteit, mislukkingen en onzekerheid. De groei van inkomen verloopt voor de meeste mensen veel geleidelijker. Eigenlijk ‘vergeet’ Piketty een risicocorrectie toe te passen bij zijn vergelijking van rendement op kapitaal (r) en groei van inkomen (g). Hij gaat uit van gemiddelden.
De rendementen die hij bestudeert zijn ex post gemiddelden: ze reflecteren succesverhalen, maar minder de mislukkingen die daartegenover staan. Daarmee ontstaat het beeld van een bijna automatisch groeiend vermogensblok, terwijl in werkelijkheid risico – en dus risicocompensatie – essentieel is. Bij te hoge belastingen op rendement en vermogen wordt die risicocompensatie verkleind, waardoor vermogenden minder bereid zijn risico’s te nemen, wat economische groei en innovatie beperkt.
2) De economische denkfout: ‘kapitaal is gemakkelijk grijpbaar door de overheid’
Piketty pleit voor hoge belastingen op vermogen en kapitaal, vaak tot niveaus die historisch ongekend zijn. Daarbij gaat hij impliciet uit van een relatief statisch systeem. Maar kapitaal is de meest mobiele productiefactor die we kennen.
Hoge kapitaalbelastingen leiden tot gedragsreacties: investeringen verschuiven, innovatie kan vertragen en activiteiten verplaatsen zich naar gunstiger regimes. Niet alleen verplaatst kapitaal zich geografisch, ook verschuift het naar minder belastbare of minder productieve vormen. Uiteindelijk worden die effecten dan niet alleen door de vermogenden gedragen, maar door de economie als geheel.
3) De ethische denkfout: ‘de uitkomst gaat boven de legitimiteit’
In Piketty’s analyse verschuift de aandacht van de vraag hoe vermogen tot stand komt naar de vraag hoe het verdeeld is. In zijn benadering verschuift eigendom van een primair individueel recht naar iets dat de gemeenschap kan claimen. Eigendom wordt impliciet herleid tot een grootheid die herverdeeld moet worden, met minder aandacht voor de onderliggende legitimiteit: vrijwillige ruil, zelfbeschikking, risico, ondernemerschap en uitgestelde consumptie.
Daarmee positioneert Piketty zich in de egalitaire en socialistische denktraditie. Die staat tegenover de liberale traditie van bijvoorbeeld Locke, Smith en Hayek, waarin eigendom het morele vertrekpunt vormt en waarin stabiele eigendomsrechten niet alleen rechtvaardigheid dienen, maar ook de basis vormen voor vertrouwen, investeringen en economische orde. Het ‘recht van de gemeenschap op privékapitaal’ is wellicht geen denkfout maar wél een afwijkend politiek-filosofisch standpunt.
4) De politieke denkfout: ‘de wereld als één systeem’
De voorstellen van Piketty veronderstellen een hoge mate van internationale coördinatie. Wereldwijde vermogensbelastingen, internationale fondsen en sancties tegen landen die niet meedoen zijn alleen haalbaar in een wereld met sterke centrale sturing. De realiteit is er een van soevereine staten met concurrerende belangen en zonder geloofwaardige afdwingingsmechanismen. Het voorstel negeert het klassieke ‘collective action problem’: landen hebben prikkels om af te wijken zodra dat in hun eigenbelang is.
5) De logische denkfout: ‘klimaat als noodzakelijke herverdeling’
Ten slotte koppelt Piketty klimaat en inkomensbeleid direct aan elkaar. Effectieve klimaatpolitiek zonder herverdeling zou niet mogelijk zijn. Daarmee presenteert hij herverdeling impliciet als een noodzakelijke voorwaarde. Dat is volgens de regels van de logica dubieus.
Klimaatbeleid kan regressief, neutraal of progressief worden vormgegeven en staat in analytische zin los van de gekozen inkomensverdeling. Er bestaan verschillende routes om emissies te reduceren, zoals CO₂-heffingen, technologische innovatie en regulering. Zijn redenering krijgt daardoor het karakter van een vals dilemma: de klimaattransitie die alleen via herverdeling kan plaatsvinden.
Het diepere inzicht: een verschil in denkrichting
Wat Piketty uiteindelijk onderscheidt van veel klassieke economen is zijn richting van redeneren. Hij vertrekt vanuit de gewenste uitkomst – een gelijkere wereld – en zoekt vervolgens de structuren die nodig zijn om die uitkomst te realiseren. Ongelijkheid wordt zo de organiserende variabele die andere problemen moet oplossen.
De traditionele economische benadering werkt omgekeerd: die vertrekt vanuit prikkels, gedrag en instituties, en accepteert dat uitkomsten daaruit voortvloeien. Dat verschil – van uitkomst naar systeem (Piketty) versus van systeem naar uitkomst (de klassieke benadering) – is de werkelijke breuklijn.
Tot slot
Piketty stelt scherpe en relevante vragen over ongelijkheid en klimaat. Daar kunnen weinigen het mee oneens zijn. Maar zijn antwoorden zijn minder overtuigend dan zijn diagnose. Ze berusten op aannames over risico, gedrag, legitimiteit en politiek die allerminst vanzelfsprekend zijn. Maar het werkelijke onderscheid ligt dieper: Piketty fixeert de uitkomst en buigt het proces, anderen fixeren het proces en laten de uitkomst vrij. En precies daar, in die omkering, verliest Piketty’s analyse haar kracht.
Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels