Harry Geels: Erfbelasting is belasting op toekomstige welvaart
Door Harry Geels
Voorstanders van een hogere erfbelasting stellen dat een erfenis voor de erfgenaam een vorm van nieuw inkomen vormt en daarom net als loon zwaar belast mag worden. Tegenstanders wijzen erop dat het vermogen vaak al eerder is belast en spreken van dubbele belasting. Er is echter een derde, minder gehoorde zienswijze: die van de klassieke economie.
Klassieke economen maakten onderscheid tussen productiefactoren en de inkomsten die daaruit voortvloeien. Arbeid levert loon, vermogen levert rente, dividend en huur, ondernemerschap levert winst en land levert pacht op. Dat onderscheid is belangrijk. Niet omdat productiefactoren per definitie nooit belast zouden mogen worden, maar omdat belastingen op de inkomsten uit productiefactoren doorgaans minder verstorend zijn dan belastingen op de productiefactoren zelf.
Wie een deel van de winst belast, tast het onderliggende bedrijf niet direct aan. Wie het bedrijf zelf belast, kan daarentegen investeringen, innovatie of zelfs het voortbestaan van de onderneming beïnvloeden. Hetzelfde geldt voor grondbezit, landbouwbedrijven en andere vormen van kapitaal. Vanuit dat perspectief is de relevante vraag niet of een erfenis als inkomen kan worden bestempeld, maar wat de gevolgen zijn van belastingheffing voor de instandhouding van productief vermogen en de welvaart die dat vermogen voortbrengt.
De belastingmaximes van Adam Smith
Adam Smith, algemeen beschouwd als de grondlegger van de moderne economische wetenschap, formuleerde in The Wealth of Nations vier bekende uitgangspunten voor goede belastingheffing. Ten eerste gelijkheid: burgers dragen bij naar draagkracht. Ten tweede zekerheid: duidelijkheid over hoogte, tijdstip en wijze van heffing. Ten derde gemak: belasting wordt geheven op een praktisch moment. Ten vierde efficiëntie: economische verstoringen en inningskosten blijven beperkt.
Deze uitgangspunten vormen nog steeds een bruikbare toetssteen. Neem een familiebedrijf dat bij overlijden overgaat op de volgende generatie. Een hoge belastingclaim kan ertoe leiden dat activa moeten worden verkocht of dat aanzienlijke schulden moeten worden aangegaan. In zulke gevallen ontstaat spanning met het gemak- en efficiëntiebeginsel van Smith. De belasting wordt geheven op een juridisch overdrachtsmoment, maar niet noodzakelijk op een moment waarop liquide middelen beschikbaar zijn of op een moment dat het goed gaat met het bedrijf.
Hetzelfde probleem doet zich voor bij landbouwgrond, vastgoedportefeuilles en belangen in niet-beursgenoteerde ondernemingen. Waardering is vaak ingewikkeld en belastingbetaling kan moeilijk zijn wanneer het vermogen grotendeels vastligt in productieve activa.
Erfbelasting is geen vermogensbelasting, maar belast wel vermogen
Voorstanders van erfbelasting hebben een terecht punt wanneer zij opmerken dat erfbelasting niet hetzelfde is als een jaarlijkse vermogensbelasting. Een vermogensbelasting belast bezit jaar na jaar. Erfbelasting wordt slechts één keer geheven, namelijk wanneer eigendom van de ene generatie op de andere overgaat. Dat is een relevant verschil.
Daarnaast wijzen voorstanders erop dat een erfenis voor de ontvanger een vermogensaanwas vormt waarvoor geen arbeid is verricht of ondernemersrisico is gelopen. Dat argument verdient serieuze aandacht. Het verklaart waarom ook sommige klassieke en klassiek-liberale denkers ruimte zagen voor vormen van erfbelasting. Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord hoe hoog die belasting zou moeten zijn. Juist daar verschuift de discussie van rechtvaardigheid naar economische gevolgen.
Productief vermogen kent vele vormen
In het erfbelastingdebat wordt vaak impliciet onderscheid gemaakt tussen "echte" productieve vermogens, zoals familiebedrijven, en financiële vermogens, zoals aandelenportefeuilles. Dat onderscheid is economisch minder scherp dan vaak wordt aangenomen. Beursgenoteerde aandelen vertegenwoordigen eigendomsrechten in ondernemingen die investeren, produceren, innoveren en werkgelegenheid creëren. Financiële markten vervullen juist de functie om kapitaal toe te wijzen aan productieve activiteiten.
Wanneer een erfgenaam een deel van een effectenportefeuille moet verkopen om erfbelasting te betalen, zijn de gevolgen weliswaar minder zichtbaar dan bij de verkoop van een fabriek of landbouwgrond, maar dat betekent niet dat er geen verstoring optreedt. Ook dan wordt kapitaal onttrokken aan de bestaande allocatie van private investeerders. Daarbij kunnen nog andere effecten optreden.
Verkoop kan plaatsvinden op een ongunstig moment in de marktcyclus. Bij grotere vermogens kunnen transacties invloed hebben op de gerealiseerde prijs. Bovendien worden middelen verschoven van private investeerders, die voortdurend worden afgerekend op rendement en kapitaalallocatie, naar de overheid, waarvan niet vanzelfsprekend is dat zij dezelfde middelen productiever inzet. De economische vraag is daarom niet of het vermogen liquide of illiquide is, maar of de belastingheffing leidt tot een minder productieve aanwending van kapitaal.
De semantische discussie leidt af van de kern
Tegenwoordig wordt vaak gesteld dat een erfenis simpelweg inkomen is voor de ontvanger. Economisch is het beeld niet zo eenvoudig. Een geërfde onderneming is iets anders dan een salarisstrook. Een geërfde boerderij is iets anders dan een bonus. En hetzelfde geldt voor een geërfde effectenportefeuille. In alle gevallen gaat het om eigendom van kapitaalgoederen die toekomstige inkomensstromen kunnen voortbrengen.
Door een erfenis uitsluitend als inkomen te beschouwen, verdwijnt het onderscheid tussen consumptief inkomen en productief vermogen uit beeld. Juist dat onderscheid speelde een centrale rol in het denken van veel klassieke economen. De vraag is immers niet alleen wat de erfgenaam ontvangt, maar ook wat de economie verliest wanneer productief kapitaal wordt aangesproken.
Een klassiek-liberale conclusie
De discussie over erfbelasting zou daarom niet moeten draaien om de semantische vraag of een erfenis inkomen betreft. De relevante vraag is welke vorm van belastingheffing de minste economische schade veroorzaakt. Vanuit de klassieke economische traditie ligt het voor de hand om inkomsten die voortvloeien uit productiefactoren zwaarder te belasten dan de productiefactoren zelf of de overdracht daarvan. Niet omdat iedere erfbelasting onrechtmatig zou zijn, maar omdat kapitaalvorming de basis vormt van investeringen, productiviteitsgroei, ondernemerschap en uiteindelijk stijgende levensstandaarden.
Een erfenis kan worden gezien als vermogensaanwas voor de erfgenaam. Tegelijkertijd blijft zij een overdracht van productief vermogen dat toekomstige welvaart kan voortbrengen. De klassieke economische traditie waarschuwt daarom voor belastingheffing die kapitaalvorming, ondernemerschap en economische continuïteit onnodig verstoort. Dat pleit niet noodzakelijk voor afschaffing van erfbelasting. Het pleit wel voor grote terughoudendheid bij verdere verhogingen ervan.
Uiteindelijk ontstaat welvaart niet doordat bestaand kapitaal steeds opnieuw van eigenaar wisselt, maar doordat productief vermogen blijft investeren, ondernemen en innoveren. Wie erfbelasting heft, belast daarom niet alleen een erfenis, maar ook een deel van de toekomstige welvaart die dat vermogen nog had kunnen voortbrengen.
Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels