Anton Kramer: Wat toetst de performancetoets nog?

Anton Kramer: Wat toetst de performancetoets nog?

Pensioenfondsen Wet- en regelgeving

Door Anton Kramer, Mede-Oprichter van OverRendement

De nieuwe performancetoets was de afgelopen maanden in consultatie. Omdat deelname aan bedrijfstakpensioenfondsen verplicht is, begreep de wetgever al vroeg dat prestaties via toezicht en toetsing moeten worden bewaakt in plaats van via concurrentie. Maar wie de voorgestelde toets nader bekijkt, kan moeilijk aan de vraag ontsnappen: wat toetsen we eigenlijk nog?

Pensioenfondsen opereren in een fijnmazig samenspel van sociale partners, bestuur, uitvoerders, toezichthouders en deelnemers met uiteenlopende risicovoorkeuren. Logisch dus dat fondsen niet afgerekend willen worden op factoren waar zij nauwelijks invloed op hebben. Het gevolg is echter dat steeds meer relevante beslissingen buiten het blikveld van de performancetoets worden geplaatst.

Dat zien we bijvoorbeeld bij illiquide beleggingen, waar het benchmarkrendement gelijk wordt gesteld aan het fondsrendement. Daar valt per definitie niets meer te toetsen. In de liquide portefeuille verschuift het beleggingsbeleid steeds verder in de richting van passief beleggen tegen op maat gemaakte benchmarks. De echte keuzes – welke markten, welke aandelen, welke risico’s – worden verplaatst naar het strategische niveau. En laat dat strategische beleid nu net buiten de performancetoets vallen.

Een extreem voorbeeld maakt dat mechanisme inzichtelijk. Stel dat een pensioenfonds besluit een aandelenportefeuille aan te houden met tien aandelen Amazon en tien aandelen Volkswagen. De op maat gemaakte benchmark bestaat vervolgens uit exact diezelfde aandelen. In de performancetoets meten we dan of het fonds er inderdaad in is geslaagd tien aandelen Amazon en tien aandelen Volkswagen te kopen. Dat zal doorgaans lukken: toets gehaald. Maar de veel relevantere vraag – was de keuze voor Amazon en Volkswagen verstandig, en hadden bijvoorbeeld NVIDIA of Tesla niet meer opgeleverd? – blijft volledig buiten beeld. Uiteraard kiest geen enkel fonds letterlijk zo’n portefeuille, maar het onderliggende principe is precies hetzelfde.

Ook belangrijk is de termijn waarover wordt getoetst. Pensioenfondsen beleggen voor de lange termijn, dus de gemiddelde uitkering ligt al snel twintig jaar in de toekomst. Maar als pas na twintig jaar blijkt dat het fonds structureel slecht heeft gepresteerd, is het kwaad allang geschied. Er is gekozen voor een evaluatieperiode van vijf jaar. Tegelijkertijd willen we geluk en vaardigheid van elkaar scheiden. Een fonds dat 10% rendement haalt is niet zondermeer beter dan een fonds met 5%. Noem het beroepsdeformatie maar we willen statistische significantie.  

Ik pleit voor een eenvoudige toets voor de vijfjaarsperiode. Bijvoorbeeld door het rendement te vergelijken met een standaard benchmark van aandelen en lange obligaties of swaps, waarbij de weging aansluit bij het risicoprofiel dat het fonds – op basis van onderzoek onder deelnemers – heeft gekozen. Op de lange termijn blijft de wezenlijke vraag bestaan: is de pensioenambitie daadwerkelijk gehaald?

Boven alles is het voor het vertrouwen van deelnemers cruciaal dat de performancetoets objectief en onafhankelijk is. Een toets die steeds meer bepalende keuzes buiten beschouwing laat, dreigt haar doel voorbij te schieten. Dan controleren we vooral of het fonds netjes uitvoert wat het zelf heeft bedacht, maar niet of het ook daadwerkelijk goed pensioenbeleid voert.