Han Dieperink: De inflatie kan in 2026 sneller dalen dan verwacht

Han Dieperink: De inflatie kan in 2026 sneller dalen dan verwacht

Inflatie Vooruitzichten
Han Dieperink (credits Cor Salverius Fotografie)

Door Han Dieperink, geschreven op persoonlijke titel

De meeste economen en beleidsmakers zijn het erover eens: de inflatie blijft voorlopig hardnekkig hoog. Zelfs de Federal Reserve voorspelt dat de kerninflatie pas in 2026 naar 2,6% daalt en pas in 2027 naar 2,4%. Maar deze voorspellingen zullen waarschijnlijk te pessimistisch blijken. Er zijn namelijk sterke krachten aan het werk die de inflatie sneller omlaag kunnen duwen dan bijna iedereen verwacht.

De onzichtbare hand van technologie

De belangrijkste drijvende kracht achter de verwachte desinflatie is de ontwikkeling van nieuwe technologieën, en dan vooral AI. Elke grote technologische doorbraak in de geschiedenis heeft de productiviteit verhoogd en daarmee de prijzen gedrukt. Denk aan de stoommachine, de elektrificatie en het internet. AI vormt hierop geen uitzondering en zou zelfs een sterkere desinflatoire werking kunnen hebben dan eerdere innovaties. Ten eerste verhoogt AI de economische efficiëntie doordat bedrijven taken kunnen automatiseren en processen kunnen stroomlijnen. De output per werknemer stijgt daardoor fors. Ten tweede oefent AI neerwaartse druk uit op de lonen doordat de vraag naar arbeid afneemt. Waar het internet vooral arbeid aanvulde en versterkte, vervangt AI het in veel gevallen. Dit fundamentele verschil verklaart waarom de huidige productiviteitswinsten zo anders uitpakken dan tijdens de internetrevolutie van de jaren negentig.

Sinds 2021 zijn de bedrijfswinsten in Amerika met ongeveer 60% gestegen, terwijl de nominale lonen met slechts 25% stegen. In reële termen stegen de bedrijfswinsten met zo'n 30%. De reële lonen van gewone werknemers stegen daarentegen met slechts 2% over dezelfde periode, oftewel ongeveer 0,4% per jaar. De reële lonen blijven achter bij de productiviteitsgroei, waardoor de kloof tussen bedrijfswinsten en arbeidsinkomens steeds groter wordt.

Deze productiviteitswinsten vertalen zich direct naar lagere kosten per eenheid product. Wanneer bedrijven meer kunnen produceren met dezelfde of zelfs minder arbeidsinput, verdwijnt de noodzaak om hogere kosten door te berekenen aan consumenten. Dit mechanisme wordt versterkt door de internationale concurrentie en de bereidheid van consumenten om over te stappen naar goedkopere alternatieven. Op termijn werkt dit onvermijdelijk door in lagere consumentenprijzen.

De parallel met de jaren tachtig

Het huidige desinflatieproces vertoont opvallende gelijkenissen met de jaren tachtig. In beide perioden kwam de inflatieschok voort uit verstoringen aan de aanbodzijde van de economie. In 1980 was het de oliecrisis die de prijzen deed exploderen. In 2021 legde de coronapandemie wereldwijde toeleveringsketens plat, wat leidde tot ernstige tekorten en een plotselinge sprong in het prijsniveau. Het daaropvolgende desinflatoire proces verloopt in beide gevallen opmerkelijk vergelijkbaar. De kerninflatie daalt met ruwweg 100 basispunten, ofwel één procentpunt, per jaar. Met de huidige kerninflatie die op jaarbasis rond de 2,8% ligt, is het volkomen realistisch dat de inflatie in de loop van 2026 richting de 2% beweegt. Als dit historische patroon aanhoudt, is een verdere daling van 60 tot 80 basispunten zeer goed mogelijk.

Een van de meest onderschatte desinflatoire krachten is de veranderende dynamiek op de arbeidsmarkt. De loongroei koelt af, terwijl de groei van de werkgelegenheid stagneert. Dit is deels het resultaat van de adoptie van AI en automatisering, maar ook van demografische verschuivingen en veranderende arbeidspatronen sinds de pandemie. Bedrijven zijn terughoudender geworden met het uitbreiden van hun personeelsbestand. In plaats daarvan investeren ze in technologie die de arbeidsproductiviteit verhoogt. Het resultaat is wat sommige economen zien als baanloze groei: de economie groeit en de winsten stijgen, maar de werkgelegenheid blijft achter. De vraag naar arbeid neemt af, terwijl de productie toeneemt. De combinatie van afnemende loondruk en stijgende productiviteit creëert een krachtige desinflatoire cocktail. Dit mechanisme kan langer aanhouden dan velen nu verwachten, zolang de adoptie van AI-technologie doorzet en bedrijven blijven investeren in automatisering.

Twee componenten die een buitenproportioneel grote rol speelden in de inflatiepiek van 2021-2023 zijn huisvestingskosten en energieprijzen. Beide zijn nu bezig met een significante normalisatie. De huizenprijzen stabiliseren of dalen in veel markten, terwijl de huurgroei vertraagt. Dit is belangrijk omdat huisvestingskosten een groot gewicht hebben in de inflatiecijfers. Gezien het vertraagde effect waarmee deze kosten worden meegenomen in de Amerikaanse statistieken, zal deze vertraging zich pas volledig manifesteren in de officiële cijfers van 2026. Met andere woorden: de daling die nu al plaatsvindt in de huizenmarkt, werkt pas volgend jaar volledig door in de inflatiecijfers. Op energiegebied zien we eveneens een gunstige ontwikkeling. De prijzen van ruwe olie zijn gedaald en de vooruitzichten wijzen op een verdere gematigde ontwikkeling. De energietransitie en de toename van hernieuwbare energiebronnen dragen bij aan een structureel lagere kostenbasis voor energie op de langere termijn. Deze factoren gecombineerd ondersteunen het scenario van een verrassend lage inflatie in 2026.

De importtarieven in perspectief

Uiteraard zijn er ook factoren die de desinflatie kunnen vertragen. De dreiging van verhoogde importtarieven vormt een reëel risico dat de prijzen van goederen kan opdrijven. Maar tariefverhogingen leiden tot eenmalige prijssprongen, niet tot aanhoudende inflatie. Zodra de initiële schok is verwerkt, hervatten de onderliggende desinflatoire trends hun werk. Een vergelijkbaar effect zagen we bij de btw-verhogingen in Japan tijdens de economisch moeilijke jaren: tijdelijke prijsstijgingen gevolgd door een terugkeer naar de structurele trend. Bovendien toont de ervaring uit eerdere handelsconflicten dat de daadwerkelijke impact op consumentenprijzen vaak kleiner is dan gevreesd. Bedrijven absorberen een deel van de kostenstijging in hun marges. Consumenten stappen over naar binnenlandse alternatieven. En de sterkte van de dollar dempt de doorwerking van hogere importkosten. Het tariefrisico is dus reëel maar beheersbaar en zal de bredere desinflatoire trend niet fundamenteel ontwrichten.

Lagere inflatie = lagere beleidsrente

De implicaties van een sneller dan verwachte desinflatie zijn aanzienlijk. Voor de Federal Reserve betekent dit dat er meer ruimte is voor renteverlagingen dan momenteel is ingeprijsd in de markt. Als de productiviteitsgroei aanhoudt en de inflatie sneller daalt, kan de centrale bank gedwongen worden de rente sterker te verlagen dan verwacht, zelfs terwijl de economie blijft groeien en de bedrijfswinsten toenemen. Dit scenario doet denken aan de tweede helft van de jaren negentig. Destijds duwde de internetgedreven productiviteitsgroei de kerninflatie onder de 2%, waardoor de Fed het beleid versoepelde ondanks een economische groei van bijna 4%. De combinatie van sterke groei en dalende rentes leidde tot een krachtige rally op de aandelenmarkten.

Beleggers die positioneren voor aanhoudend hoge inflatie lopen het risico aan de verkeerde kant van de markt te staan. Voor beleidsmakers ligt de uitdaging in het tijdig onderkennen van de veranderende inflatiedynamiek. Het risico bestaat dat de Fed te lang vasthoudt aan een restrictief beleid, waardoor onnodige economische schade wordt aangericht. De lessen uit het verleden leren ons dat centrale banken regelmatig achter de feiten aanlopen, zowel bij het bestrijden van inflatie als bij het erkennen van desinflatie.

De convergentie van technologische innovatie, veranderende arbeidsmarktdynamiek, dalende huisvestingskosten en gematigde energieprijzen creëert een krachtige desinflatoire omgeving. Het historische patroon van de jaren tachtig suggereert dat we nog significante ruimte hebben voor verdere inflatiedaling. Hoewel tariefrisico's voor tijdelijke verstoringen kunnen zorgen, blijven de structurele krachten die de desinflatie aandrijven intact. De waarschijnlijkheid is groot dat zowel de markten als de Federal Reserve verrast zullen worden door de snelheid waarmee de inflatie in 2026 afneemt.