Han Dieperink: Graaiflatie 2.0
Han Dieperink: Graaiflatie 2.0
Door Han Dieperink, geschreven op persoonlijke titel
Meer dan twee jaar geleden werd graaiflatie gezien als een tijdelijk fenomeen. De redenering was helder: zodra de inflatie normaliseert, verdwijnt de dekmantel waaronder bedrijven hun prijzen extra konden verhogen. Een bedrijf dat bij 2% inflatie als enige zijn prijs met 10% verhoogt, verliest marktaandeel. Die marktdiscipline zou een einde maken aan graaiflatie. Dat klopt ook, maar het verhaal blijkt een vervolg te hebben.
De aandacht voor graaiflatie is inmiddels vrijwel verdwenen. Een zoektocht op Google Trends laat zien dat de belangstelling voor het begrip vrijwel exact hetzelfde patroon volgt als de inflatie zelf: een scherpe piek in 2022-2023, gevolgd door een even scherpe daling. Die afnemende interesse is begrijpelijk, maar ook riskant. Want juist nu consumenten niet meer opletten, ontstaat er ruimte voor wat je graaiflatie 2.0 zou kunnen noemen. Niet de brute prijsverhogingen van de inflatiegolf, maar het stilletjes niet doorberekenen van dalende inputkosten.
Camouflage
Het oorspronkelijke graaiflatie-verhaal draaide om camouflage. Wanneer consumenten toch al verwachten dat alles duurder wordt, kunnen individuele bedrijven hun prijzen iets méér verhogen dan strikt noodzakelijk, zonder dat iemand het opmerkt. Aanbodschokken in één sector kunnen fungeren als stilzwijgend coördinatiemechanisme. Als olieprijzen exploderen, stijgen niet alleen energiekosten, maar ook de marges in aanpalende sectoren, en dat zonder expliciete afstemming. Het prijssignaal vervangt het kartel.
Maar er is een keerzijde. Toen de groothandelsprijs van diesel fors steeg, ging de retailprijs veel minder omhoog. De marges werden dus kleiner, niet groter, precies het tegenovergestelde van wat het graaiflatie-narratief voorspelt. De verklaring is dat consumenten veel actiever gaan vergelijken wanneer prijzen stijgen. Het zoekverkeer op prijsvergelijkingssites nam explosief toe, en in regio's waar dat zoekgedrag het sterkst was, bleven de marges het meest onder druk staan.
Raket en veer
Dit sluit aan bij een theorie die bekendstaat als asymmetrische prijsvorming, ook wel het fenomeen van een raket en een veer. De prijzen aan de pomp schieten als een raket omhoog wanneer olie duurder wordt, maar dalen als een veer wanneer de olieprijs zakt. Consumenten gaan meer zoeken wanneer prijzen stijgen, ook al valt er dan weinig te winnen, omdat alle aanbieders ongeveer hetzelfde vragen. Wanneer prijzen dalen, ontstaan er juist grotere prijsverschillen tussen aanbieders, maar de meeste consumenten maken zich dan niet meer druk. De zoekstrategie is intuïtief: als de prijs is gestegen, rij je door in de hoop iets goedkopers te vinden; als de prijs is gedaald, stop je tevreden en tank je vol.
Sam Peltzman van de University of Chicago documenteerde dit patroon al in 2000 op veel grotere schaal. In zijn studie ‘Prices Rise Faster Than They Fall’ analyseerde hij honderden productmarkten en concludeerde hij dat in meer dan twee op de drie gevallen prijzen sneller stegen bij kostenverhogingen dan ze daalden bij kostenverlagingen. Het veer-effect is universeel.
Subtiel dalende inputkosten
Dit brengt ons bij de kern van graaiflatie 2.0. Vaak wordt aangenomen dat graaiflatie verdwijnt zodra de inflatie normaliseert, omdat bedrijven dan niet langer onder de radar kunnen opereren. Dat is correct voor de bruto-variant: de prijsverhogingen boven op de kosteninflatie. Maar de subtielere variant werkt precies andersom. De werkelijke margeverbetering vindt niet plaats wanneer de inflatie hoog is en iedereen toekijkt, maar wanneer de inflatie normaliseert en de aandacht verslapt. Inputkosten dalen, maar de consumentenprijzen volgen niet of nauwelijks. Het verschil verdwijnt geruisloos in de winstmarge.
Vooral binnen een oligopolie werkt dit uitstekend. Binnen een oligopolie houden concurrenten elkaar nauwgezet in de gaten, maar die waakzaamheid richt zich op het niet ondermijnen van de status quo, niet op het doorgeven van kostendalingen aan de consument. Het signaal is niet ‘verhoog je prijs’, maar ‘verlaag je prijs niet’. Voor beleggers is dit relevant. Bedrijven met sterke marktposities en lage prijstransparantie kunnen in een omgeving van dalende inputkosten hun marges structureel verbeteren zonder dat dit tot maatschappelijke weerstand leidt. Dat vertaalt zich in winstgroei die niet wordt gedreven door volume of innovatie, maar door het simpelweg niet doorberekenen van kostendalingen. Het is een bron van rendement die in analistenmodellen zelden expliciet wordt geïdentificeerd, maar die in de praktijk substantieel kan zijn. Het bevestigt opnieuw dat aandelen een goede bescherming bieden tegen inflatie. Niet alleen op de weg omhoog, maar ook op de weg omlaag.
Tegelijkertijd is dit een kwetsbaarheid. Of men nu gelooft dat bedrijven hun marktmacht misbruiken onder dekking van hoge inflatie, of juist wanneer inflatie laag is en consumenten niet opletten, in beide gevallen is het argument voor scherper mededingingsbeleid even sterk. Het opsplitsen van dominante posities en het vergroten van prijstransparantie blijven de meest effectieve instrumenten, zoals ik eerder al betoogde. Sectoren die nu profiteren van het veer-effect lopen het risico dat ze de volgende doelwitten worden van regelgeving.
Met groothandelsprijzen die in de Verenigde Staten recent scherp zijn gestegen (tot 6% op jaarbasis in april) zal het debat over graaiflatie ongetwijfeld weer opvlammen. Dat is prima, maar de echte les is breder. Het is niet wanneer iedereen het over graaiflatie heeft dat consumenten en beleggers het meest alert moeten zijn. Het is wanneer niemand er meer over praat.