Harry Geels: Monetair beleid is nooit neutraal en wordt steeds politieker
Door Harry Geels
Wie de recente uitspraken en optredens van Europese centrale bankiers volgt, kan moeilijk volhouden dat monetair beleid een apolitieke exercitie is. Sterker nog: het lijkt erop dat centrale banken, vrijwillig of gedwongen door geopolitieke omstandigheden, steeds dieper de politieke arena binnenstappen.
Hoewel centrale banken zich graag presenteren als onafhankelijke technocratische instellingen, werken ze vanuit duidelijk omschreven mandaten. De ECB heeft een strikt enkelvoudig mandaat: het waarborgen van prijsstabiliteit, doorgaans geïnterpreteerd als een inflatie van rond de 2%. Secundair kan ze het economisch beleid in EU ondersteunen, mits dit niet botst met de prijsstabiliteit. Daarbovenop beschikt zij over specifieke bevoegdheden op het gebied van bankentoezicht.
In tegenstelling tot de ECB werkt de Fed met een duaal mandaat: zij moet zowel prijsstabiliteit als maximale werkgelegenheid bevorderen, aangevuld met het streven naar gematigde langetermijnrentes. Dit maakt de Fed niet alleen verantwoordelijk voor de renteontwikkeling en de geldhoeveelheid, maar ook voor het bewaken van financiële stabiliteit en het toezicht op Amerikaanse banken via haar raad van bestuur, de twaalf regionale Federal Reserve Banks en het Federal Open Market Committee.
Lagarde: van centrale bankier naar architect van Europese integratie
Centrale banken hebben hun mandaten de laatste jaren opgerekt. Christine Lagarde, president van de ECB, mengt zich steeds nadrukkelijker in het debat over Europa’s toekomst. In een interview dat de Financial Times samenvatte, pleitte ze voor ‘veel ingrijpendere Europese integratie’, wat onder meer inhoudt: minder nationale autonomie, meer uniforme regelgeving, een echte kapitaalmarktenunie en zelfs gezamenlijke EU-schulden, met name voor defensie-uitgaven.
Dat is opmerkelijk. Het mandaat van de ECB omvat prijsstabiliteit, niet de vormgeving van de Europese Unie. Ze rechtvaardigt dit standpunt enigszins curieus door te stellen dat door alle crises de grenzen van monetair beleid zijn bereikt. Ze spoorde recent aan de EU ook competitiever te maken. Dit is echter een boodschap die uitstekend past bij een eurocommissaris of regeringsleider, maar veel minder bij de president van een onafhankelijke centrale bank.
Sleijpen in Kyiv: centrale bank als diplomatieke speler
Ook dichter bij huis schuiven centrale bankiers op richting geopolitiek en buitenlands beleid. In februari 2026 reisde de nieuwe directeur van DNB Olaf Sleijpen naar Kyiv, waar hij sprak bij de Nationale Bank van Oekraïne. Tijdens zijn bezoek zei hij dat DNB ‘vastbesloten is om haar bijdrage te leveren’ aan Oekraïne en sprak hij uitgebreid over de economische toekomst van Europa én de implicaties van een mogelijk Oekraïens EU lidmaatschap.
Dat laatste is interessant. EU-toetreding is een puur politieke kwestie, bepaald door regeringsleiders, niet door centrale banken. Toch spreekt Sleijpen zich er voluit over uit en koppelt het aan Europese weerbaarheid en stabiliteit. DNB communiceerde daarnaast dat het bezoek diende om de economische toekomst van Europa en ‘Oekraïne’s pad naar EU-lidmaatschap’ te bespreken. Hij begeeft zich ver voorbij het domein van monetair beleid. Dit is geopolitieke diplomatie en geopolitiek is politiek.
QE: een politiek instrument vermomd als monetaire techniek
Wie denkt dat dit nieuwe ontwikkelingen zijn, vergeet misschien dat ook Quantitative Easing (QE) altijd al politieke bijwerkingen had. QE wordt gepresenteerd als een monetair instrument om inflatie te beheersen en financiële condities te verruimen. Maar QE heeft diepe politieke implicaties. Ten eerste bevoordeelt het bepaalde sectoren en groepen. Door de massale opkoop van staats- en bedrijfsobligaties stegen activaprijzen fors. Dat kwam vooral ten goede aan vermogenden en institutionele beleggers.
Ten tweede drukt QE de rentelasten van overheden. Wanneer centrale banken staatsobligaties opkopen, dalen de rentes. Overheden kunnen zich goedkoper financieren. Dit heeft begrotingsruimte gecreëerd die feitelijk een quasi-begrotingsinstrument is, zonder parlementaire besluitvorming. Ten derde creëert QE een wederzijdse afhankelijkheid tussen politiek en centrale banken. Landen met hoge schulden raakten afhankelijk van centrale banken om financieringskosten laag te houden.
Conclusie: het politiek masker moet af
De voorbeelden van Lagarde en Sleijpen maken zichtbaar wat al langer speelt: centrale banken zijn geen neutrale partijen meer. Ze bewegen zich steeds nadrukkelijker in politieke domeinen, van Europese integratie tot geopolitieke machtsvorming en zelfs EU-uitbreiding. Er zijn eigenlijk twee opties. Als ze zich met de politiek willen (blijven) bemoeien, moeten centrale banken onderdeel worden van het politiek-democratische proces (dus moeten de EU-burgers over beleid en bestuurders kunnen stemmen).
Of beter, we laten de politiek bij de politiek en centrale banken volgen alleen strikt hun mandaat: prijsstabiliteit (voor de ECB). Zo blijft de onafhankelijkheid van de centrale bank overeind, kan het beleid transparanter worden en meer in dienst komen te staan van de koopkracht van de burgers. Bovendien voorkomen we zo dat een (steeds) breder mandaat leidt tot ‘mission creep’. Het is in dit opzicht opvallend dat Trump Kevin Warsh benoemd heeft tot de nieuwe president van de Fed, een tegenstander van QE.
Het is overigens nog onduidelijk of de Fed met de aanstaande benoeming van Warsh echt onafhankelijker wordt. De financiële markten waren bij de benoeming in ieder geval enthousiast. In Europa zien we nog weinig discussie over de steeds verdere oprekking van het mandaat. Margaret Thatcher was destijds bij haar afscheidsspeech in The House of Commons zeer sceptisch over de ECB: ‘A single currency is about the politics of Europe. It is about a federal Europe by the backdoor.’
Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels