Rick van der Ploeg: Klimaattransitie nog altijd ondermijnd door verkeerde prikkels

Rick van der Ploeg: Klimaattransitie nog altijd ondermijnd door verkeerde prikkels

Klimaatverandering Energietransitie Politiek

Rick van der Ploeg, econoom en hoogleraar aan de University of Oxford, stelt dat er in het mondiale klimaatbeleid nog veel blinde vlekken zijn. In gesprek met Financial Investigator legt hij uit waarom de werkelijke CO₂‑kosten vele malen hoger liggen dan politiek en markt doen vermoeden, en waarom zonder stevige prikkels én sociale compensatie de transitie dreigt vast te lopen.

Door Harry Geels

  
U stelt dat de optimale CO₂-prijs per ton veel hoger ligt (of zou moeten liggen) dan de marktprijs. Hoe kan dat en wat zijn de gevolgen?

‘Er is veel onderzoek gedaan naar wat de prijs van CO₂ zou moeten zijn. Daarbij wordt simpel gezegd uitgerekend welke schade een ton CO₂-emissie veroorzaakt, aan de volksgezondheid en door de opwarming van de aarde, die weer leidt tot natuurrampen en schade aan bijvoorbeeld de landbouw. Nobelprijswinnaar William Nordhaus heeft veel baanbrekend onderzoek verricht en modellen ontwikkeld om de Social Cost of Carbon (SCC) te berekenen, de monetaire waarde van de schade door één extra ton CO₂. In eerste instantie kwam hij in 2017 uit op zo’n $ 30 per ton CO₂. De laatste schattingen van Adrien Bilal & Diego Känzi kwamen uit op $ 1.200, veel hoger dan de huidige marktprijs [half maart 2026, red.] van rond de $ 70. Zij hebben daarbij inzichten over grotere kansen op klimaatrampen en zelfs ‘climate tipping points’ meegenomen.

Een van de redenen waarom de marktprijs te laag ligt, is het aantal vergunningen: de EU-ETS-emissierechten (EUA’s). Als we die omlaag brengen, zal de marktprijs stijgen. Langzamerhand beginnen we beter te begrijpen hoe hoog de kosten van CO₂-emissie werkelijk zijn.’

U pleit nadrukkelijk voor een klimaatdividend, waarbij de opbrengsten van CO₂-heffingen worden teruggegeven aan burgers, vooral ter bescherming van lage inkomens. Is dat politiek haalbaar?

‘Een klimaatdividend, verkregen uit de CO₂-beprijzing, zouden we vooral moeten geven aan de laagste inkomens, omdat zij relatief meer meebetalen aan de CO₂-belastingen. Zij hebben geen geld om een warmtepomp of dure elektrische auto te kopen. CO₂-belastingen zijn politiek gedoemd te falen als we burgers, vooral met lagere inkomens, daarvoor niet compenseren. Dat zien we in de praktijk: zij keren zich tegen de klimaattransitieplannen door bijvoorbeeld te stemmen op partijen die de transitie niet ondersteunen. Mijn vuistregel is om iedere burger een vast bedrag te geven, bijvoorbeeld € 250 per maand. De rest van de CO₂-belastingen gebruiken we om het belastingstelsel efficiënter te maken.
 

CO₂-belastingen zijn politiek gedoemd te falen als we burgers, vooral met lagere inkomens, daarvoor niet compenseren.

 
Een ander issue is dat importbedrijven die goederen van buiten de EU kopen, per 1 januari dit jaar via het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) certificaten moeten kopen, gekoppeld aan de EU-ETS-prijs. Dit leidt tot minder concurrentiekracht van bedrijven uit bijvoorbeeld opkomende markten. Daarom is er eigenlijk ook een klimaatdividend voor dit soort bedrijven nodig, zodat ze groener kunnen produceren. Dit zouden we als een nieuwe vorm van ontwikkelingshulp kunnen zien, maar dan specifiek gericht op de verduurzaming van de wereld als geheel.’

U wijst erop dat grote vervuilers vaak worden vrijgesteld van CO2-belastingen, wat u rekent tot de ruim € 40 miljard aan ‘bruine subsidies’. Wat zouden we moeten doen?

‘Het IMF heeft ooit uitgerekend dat ongeveer 7% van het wereldwijde bbp bestaat uit subsidies aan vervuilende bedrijven, en voor Nederland worden deze op € 40 miljard geschat. Het gaat daarbij ook om zaken die we niet direct als subsidie herkennen. Als staalbedrijven bijvoorbeeld niet voor CO2-emissierechten hoeven te betalen, is dat feitelijk een subsidie.

Er zijn plannen om Tata Steel miljarden te geven om hun staalproductie te verduurzamen. Moeten we wel in oude industrieën investeren? Ik was ook een van de ondertekenaars van de brief aan de regering om geen subsidie aan Tata Steel te geven. Overigens zijn er binnen de EU staalbedrijven die energiezuiniger staal kunnen produceren. Met een EU-bril op hebben we Tata Steel niet nodig in Nederland. Volgens mij kunnen we beter in nieuwe, duurzame technologie investeren. En we moeten de scope van bedrijven die CO₂-emissierechten moeten betalen, vergroten. AI-bedrijven en AI-software zorgen bijvoorbeeld voor enorm energieverbruik. Iedere AI-gebruikersopdracht zou dan ook beprijsd moeten worden.’

Hoe verklaart u dan toch de populariteit van groene subsidies versus de impopulariteit van CO₂-belastingen?

‘Het is bijzonder dat een liberale partij als de VVD graag subsidies geeft. Ze verstoren de vrije marktwerking. Als externaliteiten niet goed worden ingeprijsd, zijn groene bedrijven minder interessant voor investeerders. Anders gezegd, als vervuilende bedrijven meer milieubelastingen betalen, worden ze voor beleggers minder aantrekkelijk ten opzichte van groene bedrijven. Dat gaat de overheid dan weer compenseren door subsidies te verstrekken aan groene bedrijven. De overheid betaalt dan de klimaattransitie in plaats van de vervuilende bedrijven. Dat is totaal krankjorum.

De VVD is geen liberale partij die opkomt voor de consument, maar een conservatieve partij die vooral het grote bedrijfsleven steunt, bedrijven die vaak hun internationale marktmacht gebruiken als drukmiddel. Er is een vijftal grote bedrijven dat in Nederland verantwoordelijk is voor het grootste deel van de CO₂-emissies en dat de weg naar Den Haag heel goed weet te vinden. Het milieubeleid voelt als een automobilist die tegelijkertijd gas geeft en remt.’

Ziet u de CO₂-correctie aan de Europese grens via het CBAM als een van de meest effectieve instrumenten tegen carbon leakage? En wat betekent dit voor de internationale handel?

‘Een belangrijk wapenfeit is dat CBAM tot stand is gekomen via het Europees Parlement. Dit was nooit gelukt als we het aan de EU-landen zelf hadden overgelaten. Het systeem heeft nu een aantal jaren proefgedraaid. Het uiteindelijke succes zal afhangen van de betrouwbaarheid van de berekeningen van de CO₂-uitstoot van de geïmporteerde producten. CBAM is bedoeld om een gelijk speelveld te creëren tussen EU-bedrijven en bedrijven uit de rest van de wereld. Het zal er ook toe leiden dat bedrijven die nu zijn vrijgesteld van het betalen voor CO₂-emissies, zoals cementbedrijven, dat nu wél gaan doen, omdat buitenlandse concurrenten dat ook gaan doen.

Per saldo zou het positief moeten uitpakken voor groene bedrijven. Als er meer vervuilende bedrijven buiten de EU zitten, kan hun handel geraakt worden. Dit kunnen we tegengaan door hen groene technologieën ter beschikking te stellen. Dat vereist wel samenwerking tussen verschillende ministeries, bijvoorbeeld dat van Economische Zaken en dat van Ontwikkelingssamenwerking. Maar dat gebeurt helaas niet. Ministeries zijn te vaak vooral met zichzelf bezig. Langetermijnvisies worden niet meer ontwikkeld. Nog erger: ontwikkelingslanden worden weer steeds meer als wingewest gezien, vooral door de VS. En Trump is helemaal een Leopold II geworden.’

Lopen veel landen die over voor de klimaattransitie benodigde grondstoffen beschikken niet het risico de ‘Dutch Disease’ op te lopen?

‘Ja, net als wij destijds in de jaren zestig en zeventig lopen die landen het risico de opbrengsten van de grondstoffenverkopen te verspillen. Waarschijnlijk zal het in diverse landen nog erger worden, vooral waar corruptie hoogtij viert. Ik heb hier recent een artikel over geschreven voor de Oxford Review for Economic Policy. Hoofdthema: er is een Dutch Disease in Disguise. De geopolitieke verhoudingen spelen ook een rol. We zien dat landen als China en de VS toegang proberen te krijgen tot essentiële mineralen. Europa komt daar lastiger tussen omdat Europeanen door ontwikkelingslanden worden gezien als de oude kolonisator.
 

Als vervuilende bedrijven meer milieubelastingen betalen, worden ze voor beleggers minder aantrekkelijk ten opzichte van groene bedrijven

 
De oplossing is het opzetten van investeringsfondsen, zoals Noorwegen gedaan heeft, met dien verstande dat die fondsen met hun beleggingen ook outside-the-box denken. Investeren in bijvoorbeeld onderwijs voor vrouwen levert in diverse Afrikaanse landen meer op dan beleggen in Amerikaanse Treasuries. Suriname is een interessante casus: een mineraalrijk land, maar de focus zal waarschijnlijk liggen op de makkelijk oppompbare olie vlak voor de kust. En ik ben bang dat de bevolking door corruptie te weinig gaat profiteren. Als Suriname het efficiënt doet, kan iedere Surinamer miljonair zijn, net als in Noorwegen.

Het gaat overigens niet overal fout. Een positief voorbeeld is Botswana. Als er niet te veel tribes zijn en er persvrijheid is, gaat de welvaartsverdeling makkelijker. De beste vormen van ontwikkelingshulp zijn investeringen in onderwijs en onafhankelijke media. Maar er zijn helaas ook negatieve voorbeelden. In Congo is bijvoorbeeld twee derde van de mijnen illegaal. Ze worden door bendes op een smerige manier leeggeroofd. De politieke vraag is of we van dergelijke landen grondstoffen willen afnemen, een vraag die helaas wordt ontweken.’

U stelt dat klimaatgerelateerde rampen leiden tot lagere risicovrije rentes en hogere risicopremies. Hoe kunnen beleggers dit structureel verdiscon- teren in asset allocatie en risico-opbouw?

‘Bedrijven uit vervuilende industrieën, denk vooral aan fossiel, hebben een ‘carbon premium’. Ze moeten meer rendement (lees: hogere risicopremies) bieden, omdat ze als riskant worden gezien, zeker door institutionele beleggers. Naarmate klimaatproblemen steeds pregnanter worden, zal die premie stijgen. Logisch, ze worden ook risicovoller. Ze kunnen ineens ‘stranded assets’ worden. Het lijkt op ‘de band speelde verder, totdat de Titanic zonk’. Beter kun je een dynamische optimalisatie doen waarbij je de portefeuille tot zeg 2050 helemaal naar nul vervuilende bedrijven ombouwt. Niet te snel, want dan loop je rendementen mis, maar ook niet te langzaam, want dan zijn er te veel risico’s.’

U bent politiek actief geweest. Welke ambities heeft u nog?

‘Ik ben in de politiek actief geweest als Tweede Kamerlid en Staatssecretaris van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en heb ook voor diverse organisaties gewerkt. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd, vooral de les in nederigheid: je kunt de argumenten aan je zijde hebben, maar toch geen gelijk krijgen. Of vice versa: met de verkeerde argumenten kun je gelijk krijgen. Woorden zijn belangrijk. Als ik zou zeggen dat ik meer concurrentie in het openbaar vervoer wil, dan is er meteen veel weerstand. Maar als je zegt dat er meer keuze in transport moet komen voor de mensen, krijg je de handen op elkaar.
 

Je kunt de argumenten aan je zijde hebben, maar toch geen gelijk krijgen. Woorden zijn belangrijk.

 
Ik ben verder niet meer politiek actief, al ben ik nog wel lid van GroenLinks-PvdA, met veel fiducie in de fusie. Omdat ik in Londen woon en steeds meer politici van weleer stoppen, kom ik verder op afstand te staan. Dat is verder prima. Ik vermaak me goed in het onderzoek en onderwijs, en als adviseur van bijvoorbeeld het IMF, de Wereldbank en diverse ontwikkelingslanden.’
 

Rick van der Ploeg

Rick van der Ploeg (1956) is Universiteitshoogleraar aan de UvA en Hoogleraar Economie aan Oxford University, waar hij ook Onderzoeksdirecteur is van OXCARRE. Hij werkte eerder aan de London School of Economics, het European University Institute, de VU, Tilburg University en als Gasthoogleraar in Utrecht. Van der Ploeg promoveerde in Cambridge in de Ingenieurswetenschappen en specialiseerde zich later in Economie. Hij publiceerde veelvuldig in toonaangevende tijdschriften. Daarnaast was hij PvdA-kamerlid en Staatssecretaris voor Cultuur en Media in het kabinet-Kok II.

 

Lees het volledige verslag in Financial Investigator magazine