Charles Bean: Donald Trump speelt een gevaarlijk spel

Charles Bean: Donald Trump speelt een gevaarlijk spel

Monetair beleid Verenigde Staten Politiek

De Amerikaanse president Donald Trump speelt een gevaarlijk spel met zijn poging de rente te drukken. De reputatie van de dollar als wereldwijde reserve staat op het spel. Niemand weet precies hoe het uit zal pakken, maar bezorgdheid is gerechtvaardigd.

Door Joost van Mierlo

Dit zijn de woorden van Charles Bean. Hij was van 2000 tot 2014 lid van het dagelijks bestuur van de Bank of England en speelt als emeritus hoogleraar aan de London School of Economics een belangrijke rol in de discussie over hedendaags monetair beleid.

Toen hij aantrad bij de Bank of England, was de onafhankelijkheid van deze centrale bank slechts enkele jaren daarvoor gegarandeerd door de toenmalige Labour regering onder premier Tony Blair. Tegenwoordig wordt er vooral in de Verenigde Staten aan de stoelpoten van de onafhankelijke centrale bank gezaagd.

Volgens Bean is met de voorgestelde benoeming van Kevin Warsh als nieuwe voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve de ‘beste beschikbare kandidaat’ gekozen. Maar dat wil wat hem betreft niet zeggen dat alle gevaar rond het handhaven van de onafhankelijkheid van centrale banken is geweken.

Eerst de actualiteit. Wat betekent de oorlog in Iran voor centrale banken?

‘De stijging van de olie- en gasprijs komt op een uitgesproken ongunstig moment, net nu centrale banken dachten dat de opwaartse druk op de inflatie na de Russische invasie in Oekraine eindelijk was geweken. Het zijn lastige afwegingen voor centrale banken. De hogere olie- en gasprijzen zorgen voor meer inflatie, maar ze dempen tegelijkertijd de economische groei. De uiteindelijke gevolgen hangen af van de lengte van het conflict en van de periode die nodig is om het aanbod van olie en gas te normaliseren. Het is onmogelijk om dat juist te voorspellen.’ 

Hoe kijkt u – los van de oorlog – terug op het afgelopen jaar?

‘Het is een periode waarin politieke ontwikkelingen waarschijnlijk belangrijker waren dan de economische gang van zaken. Dan heb ik het vooral over het gebruik van importtarieven en de economische gevolgen daarvan. Importtarieven zijn een politiek instrument omdat ze door president Trump worden gebruikt als een wapen waarmee onderhandelingen kunnen worden afgedwongen. De uit eindelijke tarieven die zijn doorgevoerd zijn slechts de helft van wat oorspronkelijk is aangekondigd. Men zou kunnen zeggen dat dit is gebeurd op basis van bijvoorbeeld beloften om meer te investeren in de Verenigde Staten, maar het is de vraag of deze daadwerkelijk zullen materialiseren.’

De tarieven zijn gehalveerd, maar ze veroor zaken toch onrust op markten en ze schaden het handelsverkeer. Wie betaalt de prijs?

‘In de Amerikaanse politiek en bij het Amerikaanse volk wordt het steeds duidelijker dat het de Amerikanen zelf zijn die de grootste gevolgen ondervinden van de tarieven. Natuurlijk klopt het dat een deel van de kosten van de hogere tarieven worden afgewenteld, maar op basis van empirisch bewijs kan worden gesteld dat 90% van de tariefstijging op de schouders van de Amerikaanse consument terechtkomt. Daar staan natuurlijk stijgende inkomsten van de Amerikaanse overheid tegenover. Deze worden echter gebruikt om de belastingen voor Amerikaanse grootverdieners te verlagen. Dat heeft politieke gevolgen. Je ziet dat al in een verschuiving van het momentum rond de aanstaande mid-term verkiezingen in het najaar.’

 

Kevin Warsh is iemand die economische argumenten de doorslag laat geven en niet zijn oor zal laten hangen naar de wensen van politici.

  

Het Amerikaanse begrotingstekort blijft maar stijgen. Dat moet de centrale bankier in u toch zorgen baren?

‘Voordat Trump vorig jaar aantrad, was al duidelijk dat het begrotingstekort in de Verenigde Staten onhoudbaar was. Er was behoefte aan een correctie. De regering Trump heeft zich daar niets van aangetrokken. Met het aannemen van de ‘Big Beautiful Bill’ zijn deze zorgen genegeerd, waardoor ze alleen maar urgenter zijn geworden.’

Dat brengt ons op de positie van centrale banken. Hoe kijkt u aan tegen de druk die president Trump het afgelopen jaar heeft uitgeoefend op de Federal Reserve in het algemeen en op Fedvoorzitter Jerome Powell in het bijzonder?

‘Laten we vooropstellen dat iedere centrale bankier weet dat hij of zij flinke kritiek te verduren zal krijgen. Het kan nu eenmaal noodzakelijk zijn om de rente te verhogen. Dat is nooit een populaire maatregel, want het leidt ertoe dat de werkloosheid stijgt. Dat zien zowel politici als burgers zelf niet graag gebeuren. Toch is het het soms nodig om een financiële crisis af te wenden.

Hoewel je dus voorbereid bent op kritiek, is het onge bruikelijk dat deze kritiek rechtstreeks uit de mond van de Amerikaanse president komt. Het werkt ook averechts. Dat geldt in de eerste plaats omdat de uitspraken voor onrust op de financiële markten kunnen zorgen, waardoor een rente-ingreep waarschijnlijker wordt. 

Het heeft ook een psychologisch gevolg. Als je druk gaat uitoefenen op centrale bankiers, wordt de kans groter dat ze hun hakken in het zand zetten. Centrale bankiers bekommeren zich nu eenmaal het meest om hun reputatie op de langere termijn. Die staat of valt met hun onafhankelijkheid.’

Die onafhankelijkheid kan president Trump kennelijk niet zoveel schelen. Hij wil gewoon een lagere rente. Wat is daar mis mee?

‘De vastgoedontwikkelaar in Trump is verzot op een lage rente en is ook niet bang om hoge schulden aan te gaan. Je kunt nog een stap verder gaan: de vastgoedontwikke laar in Trump is ook niet bang voor een faillissement van een van zijn projecten. Dat hoort er allemaal bij.

Trump wil ook een lagere rente, omdat hij dan meer schuld kan aangaan. In de Verenigde Staten ligt het percentage van rentebetalingen ten opzichte van het nationale inkomen op iets meer dan 3%. Dat is op zichzelf geen probleem. In het Verenigd Koninkrijk is het bijna 5%.

Op een gegeven moment is het echter genoeg. Dat heeft niets met een centrale bank te maken. De discipline rondom het financiële beleid van regeringen wordt afgedwongen door financiële markten. Zij zijn de ultieme scheidsrechter voor wat betreft acceptabel gedrag van regeringen.’

 

De vastgoedontwikkelaar in Trump is verzot op een lage rente en is ook niet bang om hoge schulden aan te gaan.

 

Zijn er wat dat betreft zorgen met betrekking tot de Verenigde Staten?

‘Ja, je ziet dat met de stijging van de lange rente. De vraag is echter of deze lange rente wel voldoende is gestegen. Daar vindt een interessante discussie over plaats onder financiële analisten. De meest voor de hand liggende verklaring is dat markten denken dat Trump uiteindelijk eieren voor zijn geld zal kiezen. Dat doet hij immers altijd.

Hoe kijkt u aan tegen de voorgestelde benoeming van Kevin Warsh als de nieuwe voorzitter van de Federal Reserve?

‘Warsh is zonder meer de beste kandidaat uit het rijtje van kanshebbers die voorafgaand aan de benoeming de ronde deden. Ik ken hem vrij goed uit de periode dat hij eerder deel uitmaakte van het Federal Reserve-bestuur. Ik heb hem indertijd leren kennen als een ‘havik’, als iemand die eerder te vroeg dan te laat voor een renteverhoging pleit. Warsh is ook iemand voor wie de onafhankelijkheid van centrale banken enorm belangrijk is. Hij is bovendien iemand die economische argumenten de doorslag laat geven en niet zijn oor zal laten hangen naar de wensen van politici, zelfs niet naar die van de Amerikaanse president.’

Warsh heeft echter wel aangegeven dat het wat hem betreft tijd is voor een lagere rente.

‘Ja, maar dat is niet het gevolg van een inschatting dat dit politiek wenselijk is. Warsh is van mening dat de productiviteit van de Amerikaanse economie sterk aan het verbeteren is en dat dit proces de komende jaren door zal gaan. Hij schrijft dit toe aan toepassingen van AI-technologie. Het weekblad The Economist spreekt al over ‘Warshonomics’. Door de productiviteitsstijging wordt de aanbodzijde van de economie groter en je hebt een lagere rente nodig om de vraag te stimuleren. 

Persoonlijk weet ik dat niet zo zeker. Een snellere productiviteitsstijging zorgt op zichzelf al voor een hogere vraag. Met de hogere winsten stijgen ook de uitgaven. Dat zie je op dit moment al met investeringen. Die stijgen vooral in de Verenigde Staten enorm. Er is dus sprake van een race tussen de aanbodzijde en de vraagzijde. Normaal gesproken zou je dan verwachten dat de inflatie stijgt en dat een renteverhoging noodzakelijk is.’

Het ligt er dus maar aan hoe je ernaar kijkt. Wie wint zo’n discussie?

‘De beslissingen over renteverlagingen en rentever hogingen worden door een comité genomen. Natuurlijk heeft de voorzitter van dat comité een belangrijke rol in die discussie, maar ik kan me uit mijn periode bij de Bank of England tal van momenten herinneren dat de gouverneur van de bank meestemde met de minderheid. Dat is hele maal niet uitzonderlijk.

Waar het om gaat, is dat er een discussie plaatsvindt op basis van rationele argumenten. Ik sluit helemaal niet uit dat Warsh over informatie beschikt waar ik me niet bewust van ben. En ook niet dat zijn interpretatie van informatie waar we allebei over beschikken beter is. Ik verwijs wat dat betreft naar zijn voorganger Alan Greenspan, die begin jaren negentig op basis van beschikbare cijfers een beter inzicht in de ontwikkeling van de Amerikaanse economie had, dan de meeste van zijn tijdgenoten.’

Warsh is ook een felle tegenstander van quantitative easing. Hoe kijkt u daartegen aan?

‘In de meeste landen ter wereld zijn de nationale schulden de afgelopen twintig jaar sterk gestegen. Eerst de kredietcrisis, daarna de pandemie, en in Europa de energiecrisis als gevolg van de oorlog in Oekraïne hebben ervoor gezorgd dat begrotingstekorten en schulden snel opliepen. Dat is opgevangen met de hulp van quantitative easing.

De discipline rondom het financiële beleid van regeringen wordt afgedwongen door financiële markten. Zij zijn de ultieme scheidsrechter voor wat betreft acceptabel gedrag van regeringen.

 

Die schulden moeten worden afgebouwd, dat is de meest wezenlijke zaak. Door de eeuwen heen zijn overheidsschulden wel vaker hoog opgelopen. Na de Tweede Wereldoorlog waren die in het Verenigd Koninkrijk 250% van het nationale inkomen. Dat liep begin deze eeuw terug naar 30%. Dat was te danken aan hoge economische groei in vooral de jaren zestig en negentig en hoge inflatie in de jaren zeventig en tachtig.

Het probleem waar we tegenwoordig echter mee te maken hebben, is dat de groei laag is, dat de schuld die wordt uitgegeven gelinkt is aan inflatie, en dat er geen politieke bereidheid is om te bezuinigen. Die combinatie vormt een recept voor serieuze bezorgdheid. Dat weegt zwaarder dan de zorgen rond quantitative easing, dat – zolang het tijdelijk is – best een rol kan vervullen.’ 
 

Charles Bean

Prof. Dr. Charles Bean studeer de Economie aan Emmanuel College van de Universiteit van Cambridge en promoveerde in 1981 bij Nobelprijswinnaar Robert Solow aan Massachu setts Institute of Technology. Hij doceerde onder andere aan Stanford University en London School of Economics, waar hij in 1990 werd benoemd tot hoogleraar. Bean maakte tussen 2000 en 2014 deel uit van het comité dat de rente bepaalt voor de Bank of England. Tussen 2008 en 2014 was hij daar plaatsvervangend Gouverneur. Van 2016 tot 2021 werkte hij als Econoom in dienst van het Office of Budget Responsibility.

    

Lees het volledige verslag in Financial Investigator magazine