Paneldiscussie 'Hoe kunnen pensioenfondsen gezamenlijk optrekken?'
Paneldiscussie 'Hoe kunnen pensioenfondsen gezamenlijk optrekken?'
Tijdens de tweede paneldiscussie op het seminar ‘Vanuit Impactbeleggen naar een Klimaatneutrale en Circulaire Economie’ van Financial Investigator bespreken drie experts de noodzaak om op te schalen, beter samen te werken en impactgerichter te beleggen. Wat opvalt: de transitie vraagt niet alleen om kapitaal, maar ook om consistent beleid, kennisdeling en de durf om samen te handelen.
Door Baart Koster
|
VOORZITTER Alfred Kool, Niet-Uitvoerend Bestuurslid, ABP
DEELNEMERS Krispijn Bertoen, Head of Responsible Investment, MN Nick Brugman, Head of Sales, ASN Impact Investors Sytske Groenewald, Head of Impact Investing NL, Cardano |
Al direct nadat de panelleden het podium hebben betreden, houdt de urgentie van energiezekerheid de gemoederen bezig. De vraag hoe Nederland zijn energieafhankelijkheid kan verminderen, vormt het startpunt van het gesprek. ‘We moeten zorgen dat we niet langer afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen,’ opent Nick Brugman. Hij wijst op de kwetsbare energiepositie van Nederland en Europa. ‘In Nederland is 82.5% van het energieverbruik nog fossiel, waarvan 36.5% gas. Dat kwam deels uit Groningen en deels uit Rusland, maar inmiddels importeren we 70% van ons LNG uit de VS. Dat lijkt veilig, maar het maakt ons opnieuw afhankelijk van externe leveranciers. De urgentie om klimaatneutraal te worden is niet alleen een milieukwestie, maar ook een strategische noodzaak.’
Daarmee raakt de discussie aan een veel bredere realiteit in de institutionele beleggingswereld, namelijk dat de energietransitie niet langer alleen een duurzaamheidsvraagstuk is, maar inmiddels deel is geworden van de kern van economische strategievorming. Voor veel pensioenfondsen betekent dit een verschuiving in mindset: van ‘klimaat als risico’ naar ‘energiezekerheid als strategische noodzaak’. De panelleden herkennen die verandering. Steeds vaker moeten fondsen keuzes maken die niet alleen gericht zijn op de toekomstbestendigheid van hun portefeuille, maar ook op maatschappelijke stabiliteit.
Brugman benadrukt dat geopolitiek vandaag de dag een versneller is van verduurzaming. ‘Waar we voorheen vooral investeerden vanuit klimaatdoelen, komt daar nu een nieuw motief bij: energiezekerheid. Dat besef kan de transitie juist in een stroomversnelling brengen.’ Sytske Groenewald vult aan dat vooral circulaire bedrijven het momenteel zwaar hebben. ‘Ze moeten fors investeren in nieuwe technologieën en kunnen moeilijk concurreren met goedkope, niet-duurzame producten. Daardoor blijft investeringskapitaal vaak uit. Terwijl juist die bedrijven de sleutel in handen hebben om onze economie structureel te veranderen.’
Kiezen in een snel veranderend landschap
Terwijl het gesprek onder leiding van dagvoorzitter Alfred Kool verdergaat, verschuift de aandacht van urgentie naar uitvoering. De panelleden benadrukken dat de praktijk vaak grilliger is dan beleid of modellen doen vermoeden. Iedere investering vraagt om een afweging: hoe volwassen is de technologie, hoe snel groeit de markt, en sluit de regelgeving daar al voldoende op aan? Precies daarom wint samenwerking aan betekenis. Door inzichten en ervaringen te bundelen, ontstaat eerder zicht op welke oplossingen echt kunnen opschalen en welke nog verdere uitwerking nodig hebben. Die gedeelde kennis helpt fondsen om beter onderbouwde keuzes te maken in een snel veranderend landschap.
Door onderzoeksresultaten te delen, kunnen we elkaars werk versterken en wordt het investeren in kleinere, impactvolle investeringen wél mogelijk.
Krispijn Bertoen ziet dat investeringen in industriële verduurzaming de grootste hefboom bieden. ‘We moeten interventies financieren die niet alleen lokaal verschil maken, maar wereldwijd effect hebben. Denk aan innovaties die industriële processen minder vervuilend maken. Als zulke oplossingen opschaalbaar zijn, vergroten ze hun impact exponentieel.’
Vanuit de zaal komt de vraag of de markt een ‘marktmeester’ nodig heeft – een overheid die richting geeft. Brugman is daar helder over. ‘De overheid heeft de afgelopen jaren geen consistent langetermijnbeleid gevoerd. In tien jaar tijd hadden we meer demissionaire dan zittende kabinetten. Dat ondermijnt de voorspelbaarheid waar investeerders behoefte aan hebben. We hebben een overheid nodig die duidelijke regels stelt waaraan alle marktpartijen zich kunnen houden. En liefst in Europees verband, want de transitie stopt niet bij de grens.’
Ook Bertoen pleit voor meer samenhang tussen overheid en markt. ‘De overheid verwacht veel van pensioenfondsen, maar begrijpt vaak onvoldoende hoe investeringsbeslissingen tot stand komen. We spreken onvoldoende dezelfde taal. Dat zie je ook bij thema’s als defensie: er wordt gevraagd te investeren, maar zonder stabiele regelgeving en langlopende overheidscontracten met defensiebedrijven is dat niet realistisch. We hebben een nieuwe gemeenschappelijke taal nodig tussen overheid, asset owners en asset managers. Anders blijven we hangen in semantische discussies en komen we niet tot oplossingen.’
Kool vat het treffend samen: ‘Politieke kleurveranderingen en kortetermijnhorizon maken het voor pensioenfondsen moeilijk om consistent te blijven investeren. Maar we kunnen het ons niet permitteren om af te wachten, we moeten in beweging blijven.’
Samenwerking noodzakelijk
De volgende vraag roept brede herkenning op: is samenwerking tussen pensioenfondsen nodig om de markt voor circulaire en klimaatneutrale investeringen te vergroten? ‘Maar ik zou de vraag willen omdraaien,’ zegt Bertoen. ‘Welke vormen van samenwerking zien we al, en waarvan willen we er meer?’ Groenewald komt met twee praktische suggesties. ‘Ten eerste: deel kennis en onderzoek. Pensioenfondsen kunnen hun impact vergroten door meer gezamenlijk op te trekken, bijvoorbeeld bij het due diligenceproces. ‘Door gebruik te maken van elkaars expertise kunnen pensioenfondsen efficiënter investeren in kleinere, meer impactvolle fondsen die anders te tijdsintensief zouden zijn. Door onderzoeksresultaten te delen, kunnen we elkaars werk versterken en wordt het investeren in kleinere, impactvolle investeringen wél mogelijk. Ten tweede: werk met gezamenlijke mandaten. Kleine fondsen kunnen zo hun allocaties bundelen en gezamenlijk investeren.’ Dat vergt tijd en afstemming, maar vergroot de slagkracht en verlaagt de kosten, benadrukt Groenewald. Er zijn inspirerende voorbeelden, vervolgt ze. ‘Kijk bijvoorbeeld eens naar Christian Brothers Investment Services, kortweg CBIS, een investeringsvehikel dat door katholieke gemeenschappen is opgericht. Zij beleggen mission aligned, delen risico’s en vergroten samen hun impact.’
Kijk als pensioenfonds goed naar de thema’s waar je écht verschil kunt maken. Zo bouw je geloofwaardig impactbeleid én trek je anderen mee.
Ook Brugman noemt de praktijk het bewijs dat het werkt. ‘Er zijn in Nederland al kleine impactmanagers die concrete investeringen doen in de energietransitie. Daar kunnen pensioenfondsen met kleinere allocaties prima aan meedoen. Door de due diligenceinspanningen van grotere partijen te gebruiken, kunnen kleinere fondsen meeliften en toch bijdragen aan schaalbare projecten. Dat verlaagt drempels en versnelt de kapitaalstroom richting circulaire initiatieven.’ Bertoen bevestigt dat zo’n eerste stap cruciaal is. ‘Iemand moet het voortouw nemen om een propositie helemaal op orde te krijgen voor institutionele beleggers. Dat kost tijd en veel werk, maar als het staat, kunnen anderen instappen als cornerstone investeerders. Zo bouw je samen aan nieuwe markten.’ Belangrijk is daarbij volgens Bertoen om bij je identiteit te blijven. ‘Kijk als pensioenfonds goed naar de thema’s waar je écht verschil kunt maken. Zo bouw je geloofwaardig impactbeleid én trek je anderen mee.’
Samen optrekken, maar vanuit eigen kracht
In de zaal ontstaat vervolgens een discussie over de vraag hoe samenwerking tussen pensioenfondsen nu precies vorm moet krijgen. Daarbij leeft de misvatting dat samenwerking alleen werkt als fondsen compromissen sluiten op hun eigen beleggingsidentiteit. Bertoen corrigeert dat beeld. ‘Juist het tegenovergestelde is waar. Als één fonds een specifiek impactthema kiest dat goed past bij zijn identiteit, kan het de rol van voortrekker nemen: een propositie volledig in control krijgen, de due diligence uitwerken en het voorwerk doen dat anderen later helpt in te stappen. Daardoor kunnen andere fondsen op een rijdende trein springen en profiteren van de inzichten, het onderzoek en de lessen die al zijn opgedaan. Dat versnelt kennisdeling én samenwerking in de hele sector.’ Ook bij informatie-uitwisseling geldt volgens hem dat er meer mogelijk is dan vaak wordt gedacht. ‘We delen niet zomaar volledige due-diligencerapporten vanwege vertrouwelijkheid, al kan dat in sommige gevallen wel. Er is wél een informele uitwisseling van inzichten: over risico’s, eerste bevindingen en operationele lessen. Die kennisdeling schept vertrouwen en helpt de sector sneller vooruit.’
Groenewald benadrukt dat samenwerking ook een signaalfunctie heeft richting de politiek. ‘Wanneer pensioenfondsen gezamenlijk optrekken, neemt de overheid ze serieuzer. Een verenigde sector krijgt eerder gehoor dan één enkele partij die iets probeert los te krijgen. Bovendien geeft het de deelnemers meer zekerheid dat er stabiele, langetermijnbeslissingen worden genomen die aansluiten bij maatschappelijk beleid.’ Kool vat het samen: ‘Vertrouwen ontstaat niet uit regels, maar uit samenwerking. Als de sector elkaar openlijker informeert, volgt de overheid vanzelf.’
We hebben een overheid nodig die duidelijke regels stelt waaraan alle marktpartijen zich kunnen houden. En liefst in Europees verband, want de transitie stopt niet bij de grens.
Twijfelaars meekrijgen
Kool legt vervolgens de vraag op tafel hoe pensioenfondsen die nog twijfelen over impactbeleggen kunnen worden overgehaald. ‘Resultaten spreken het luidst,’ reageert Groenewald. ‘Maar daarnaast is kennisdeling cruciaal. Fondsen die al ervaring hebben met impact kunnen andere fondsen helpen hun beleid te versterken. Dat verhoogt het vertrouwen. Niet alleen tussen fondsen, maar ook bij deelnemers. Mensen willen weten dat hun pensioen wordt belegd in iets dat zowel rendeert als bijdraagt aan een leefbare toekomst.’
Bertoen wijst op het belang van communicatie richting de achterban. ‘Het gesprek met deelnemers is op zich al ingewikkeld genoeg. Toch moeten we dat zo veel mogelijk voeren. Focusgroepen met deelnemers leveren waardevolle inzichten op. Mensen waarderen transparantie, ook als het gaat om de dilemma’s. Dat vergroot de steun voor impactbeleggen.’ Een zaalparticipant merkt op dat pensioenfondsen hun maatschappelijke license to operate niet mogen onderschatten. ‘Als we laten zien dat rendement en verantwoordelijkheid samengaan, winnen we het vertrouwen dat we nodig hebben om de transitie te financieren.’
Impactgericht investeren in decarbonisatie
Als afronding komt een laatste vraag uit de zaal: wat betekent het concreet om te investeren in decarbonisatie? Bertoen legt uit dat het draait om technologie die industriële processen helpt verduurzamen. ‘Onze pensioenfondsklanten investeren bijvoorbeeld veel in de technologie die de uitstoot structureel vermindert. Dat is de kern van de impactinvesteren: bedrijven helpen van A naar Beter, in plaats van ze uit te sluiten. Alleen door bedrijven te begeleiden in hun transitie realiseren we echte emissiereductie.’ Kool concludeert: ‘Impact zit niet in wat je uitsluit, maar in wat je mogelijk maakt. En samenwerking bepaalt het verschil tussen intentie en resultaat.’
De discussie maakt duidelijk dat de markt voor circulaire en klimaatneutrale investeringen zich razendsnel ontwikkelt, maar dat samenwerking en consistentie nog te wensen overlaten. De inhoudelijke accenten verschillen – van het waarom van de transitie tot het hoe van samenwerking en uitvoering – maar de onderliggende overtuiging wordt breed gedeeld: pensioenfondsen zijn niet alleen kapitaalverschaffers, maar ook richtinggevers in de economie van morgen. Door kennis te delen, risico’s te bundelen en duidelijke keuzes te maken, kunnen zij de transitie versnellen. Niet ondanks, maar dankzij hun schaal. Steeds duidelijker wordt daarbij dat de grote stappen niet ontstaan uit individuele initiatieven, maar uit afgestemde keuzes en langdurige gezamenlijke inzet. Impact, zo blijkt, is geen modewoord maar een gezamenlijke opdracht. Eén die begint bij vertrouwen, wordt gedragen door samenwerking en die op de lange termijn zijn waarde bewijst voor klimaat, economie en samenleving.
|
IN HET KORT De energietransitie draait niet alleen om duurzaamheid, maar ook om energiezekerheid en strategische noodzaak. Consistent overheidsbeleid, kennisdeling en samenwerking zijn cruciaal om investeringen op te schalen. Circulaire en industriële verduurzamingsbedrijven hebben kapitaal en gezamenlijke due diligence nodig. Pensioenfondsen kunnen impact vergroten via gezamenlijke mandaten en door elkaars voorwerk te gebruiken. Resultaten, transparantie en goede communicatie vergroten draagvlak bij deelnemers. Echte impact ontstaat door bedrijven te begeleiden in hun transitie, niet door uitsluiting. |