Anton Kramer: Verklaren is iets anders dan beoordelen

Anton Kramer: Verklaren is iets anders dan beoordelen

Pensioenstelsel Pensioenfondsen Pensioen

Door Anton Kramer, Mede-Oprichter van OverRendement

De inkt van de brief van minister Vijlbrief (SZW) aan de Tweede Kamer over de beleggingsrendementen van pensioenfondsen was nog maar net droog, of de volgende publicatie diende zich aan: de voorlopige pensioencijfers van de OESO.

Beide documenten geven inzicht in de manier waarop pensioenfondsen beleggen en in de factoren die rendementen beïnvloeden. Maar één vraag blijft onbeantwoord: waren de behaalde rendementen, gegeven de risico’s die zijn genomen, goed genoeg?

De minister benadrukt terecht dat een pensioenfonds niet alleen naar het rendement op vermogen kan kijken. Ook de verplichtingenzijde van de balans is van belang. Rente- en inflatierisico spelen een grote rol. Een stijgende rente kan bijvoorbeeld de waarde van obligaties verlagen, maar tegelijkertijd de waarde van de toekomstige pensioenverplichtingen sterker laten dalen. Ook verschillen in asset allocatie, renteafdekking en risicohouding zijn relevant.

Maar verklaren is wat anders dan beoordelen. Wanneer de minister de prestaties van de vijf grootste pensioenfondsen bespreekt, blijft die beoordeling opvallend oppervlakkig. Hij constateert dat de rendementen ‘doorgaans positief’ zijn en dat het gemiddelde rendement rond 4% ligt. Is dit nu goed of slecht?

Ook opvallend: volgens de minister haalt BpfBouw in de periode 2014-2025 een cumulatief rendement van 31%. Dat is aantoonbaar onjuist: voor de eerste vijf jaren is een verkeerde regel uit het jaarverslag overgetypt. Het werkelijke rendement ligt met 82% aanzienlijk hoger. Er is nogal nonchalant omgegaan met de rendementscijfers. En het weerspiegelt het ontbreken van een beoordeling van de cijfers. 31% of 82%, het is blijkbaar allebei voldoende, want positief.

De relevante vraag is: welk rendement is behaald gegeven het risico dat daarvoor is genomen, de rendementen op financiële markten, en de verplichtingen die het fonds moest nakomen?

Uit de voorlopige cijfers van OESO blijkt dat het nominale rendement van Nederlandse pensioenfondsen in 2025 als enige van 57 landen negatief is. Uiteraard zijn daar verklaringen voor. Valuta-effecten spelen een rol. Ook verschillen in asset allocatie en renteafdekking zijn relevant. De OESO wijst zelf op het effect van de hoge renteafdekking bij Nederlandse fondsen in de aanloop naar de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.

Maar ook hier geldt: daarmee is het verschil verklaard, maar niet beoordeeld. De minister stelt dat de prestaties van een pensioenfonds altijd gemeten moeten worden tegenover een benchmark die zoveel mogelijk rekening houdt met verschillen tussen pensioenfondsen. Zo wordt de benchmark de portefeuille en worden verschillen verklaard, maar niet beoordeeld. Die benchmarks kunnen ook telkens wisselen van samenstelling waardoor effecten van timing en verandering van risicohouding niet inzichtelijk worden. Is 4% rendement in de afgelopen twaalf jaren goed? Fondsen met forse indexatie-achterstanden presteren even goed ten opzichte van hun benchmark als fondsen die de indexatie-ambitie hebben waargemaakt. Terwijl de minister juist benadrukt dat het zinvol is om naar de ontwikkeling van de indexatie te kijken, houdt de benchmark daar geen rekening mee.

De brief van de minister staat op de agenda van de vergadering op 10 september. Wie miljoenen deelnemers verplicht om miljarden euro’s te laten beheren door pensioenfondsen, moet niet alleen kunnen uitleggen wat er is gebeurd. Hij moet ook bereid zijn kritisch te beoordelen of het beter had gemoeten, met de kennis van toen.