Han Dieperink: Opkomende markten vragen om onderscheid

Han Dieperink: Opkomende markten vragen om onderscheid

Opkomende markten Azië

Door Han Dieperink, geschreven op persoonlijke titel

Voor het eerst in jaren presteren opkomende markten sinds 2025 beter dan de ontwikkelde wereld. Daar ging een lange periode van achterblijvende rendementen aan vooraf. De groei in China nam af, grondstoffen waren goedkoop en veel beleggingsgeld stroomde richting de Verenigde Staten.

Daar kwam bij dat de grote Amerikaanse technologiebedrijven steeds zwaarder gingen wegen in de wereldwijde beursindices. Beleggers kozen dan ook bijna automatisch voor Amerikaanse aandelen. Maar wie een breed indexfonds koopt op opkomende markten, denkt vaak in jonge, snelgroeiende economieën te beleggen. In werkelijkheid krijgt hij vooral een grote positie in een klein aantal Aziatische technologiebedrijven.

Het gewicht van chips

Bijna driekwart van het rendement komt uit twee landen: Zuid-Korea en Taiwan. En binnen die landen komt een groot deel van de winst van enkele chipfabrikanten. TSMC, Samsung en SK Hynix profiteren sterk van de enorme investeringen in datacenters en kunstmatige intelligentie. De grote Amerikaanse techbedrijven geven dit jaar samen honderden miljarden dollars uit aan nieuwe infrastructuur. Een flink deel van dat geld komt uiteindelijk terecht bij de Aziatische bedrijven die de chips leveren.

De winsten van die bedrijven zijn daardoor sterk gestegen. Samsung kan zijn operationele winst dit jaar mogelijk bijna verzesvoudigen, tot ongeveer 185 miljard dollar. De drie grote Oost-Aziatische chipbedrijven verdienen samen inmiddels meer dan Apple, Amazon en Alphabet bij elkaar.

Daardoor is de index van opkomende markten flink geconcentreerd geraakt. TSMC is bijvoorbeeld groter dan alle Indiase aandelen samen en zit in meer dan 90% van de aandelenfondsen wereldwijd. In de index voor opkomende markten weegt de technologiesector zelfs zwaarder dan in de ontwikkelde wereld. Daar zijn zeven van de tien grootste aandelen techbedrijven.

Opkomend of toch niet?

De term ‘opkomende markten’ geeft daarmee een vertekend beeld. Dat geldt vooral voor Zuid-Korea en Taiwan. Beide landen worden nog steeds als opkomende markt gezien, terwijl ze in economisch opzicht dichter bij de ontwikkelde wereld staan. Het inkomen per hoofd van de bevolking ligt boven de 35.000 dollar en beide landen investeren veel in onderzoek en ontwikkeling. Hun sterke positie in de chipindustrie is daar een gevolg van.

Ze kampen ook met problemen die bij rijke landen horen. De bevolking vergrijst, de particuliere schulden zijn hoog en de binnenlandse vraag groeit nauwelijks. De chipindustrie kan dat niet volledig goedmaken. Daarom is het verstandig om opkomende markten niet als één geheel te zien. Zuid-Korea en Taiwan zijn heel andere markten dan bijvoorbeeld Vietnam of landen in Latijns-Amerika. En obligaties uit opkomende landen hebben weer een eigen risicoprofiel. Wie alles in één index stopt, krijgt het gemiddelde van al die verschillende markten.

Lage waarderingen en snellere groei

Opkomende markten zijn nog altijd ongeveer 40% goedkoper dan ontwikkelde markten, gemeten naar de verwachte koers-winstverhouding. Inclusief de technologiesector ligt die verhouding zelfs onder de tien. Dat is sinds 2014 ongeveer de onderkant van de bandbreedte. Tegelijk groeien de winsten sneller dan de koersen stijgen.

En dat terwijl opkomende economieën structureel sneller groeien. Over de afgelopen vijftien jaar lag hun groei gemiddeld bijna twee procentpunt per jaar hoger dan in de ontwikkelde wereld. En die groei gaat niet gepaard met een sterke stijging van de schuld. De overheidsschuld ligt gemiddeld rond de 70% van het bbp, tegenover meer dan 100% in ontwikkelde landen. Dat vertaalt zich in betere kredietbeoordelingen. Voor het derde jaar op rij zijn er meer verhogingen dan verlagingen.

Vooral bij obligaties is dat interessant. Veel centrale banken in opkomende landen verhoogden hun rente al in 2021, toen die in het Westen nog rond de 0% lag. Daardoor bieden verschillende landen nu een relatief hoge reële rente. Zwakt de groei af, dan hebben ze bovendien ruimte om de rente te verlagen.

Betere omgang met aandeelhouders

Een andere positieve ontwikkeling is dat het bestuur van bedrijven in sommige landen verbetert. Zuid-Korea is daar een goed voorbeeld van. Sinds begin 2024 loopt er een programma dat bedrijven aanspoort om hun kapitaal beter te gebruiken, meer dividend uit te keren en eigen aandelen in te kopen. Ook is wettelijk vastgelegd dat bestuurders rekening moeten houden met kleine aandeelhouders. Een groot deel van de lage waardering van Koreaanse aandelen hing juist samen met de manier waarop bedrijven met kapitaal omgingen. Verbetert dat, dan kan de waardering van nu 5,5 keer de winst op termijn stijgen. De eerste resultaten zijn al zichtbaar, Japan maakte een vergelijkbare beweging door.

In de Verenigde Staten zien we op sommige punten juist het omgekeerde. Oprichters houden via aandelen met extra stemrecht veel macht, en een kleine groep zeer grote techbedrijven bepaalt in toenemende mate de index.

Onderwogen uit gewoonte

Ondanks dit alles beleggen veel partijen weinig in opkomende markten. Pensioenfondsen hebben er gemiddeld zo'n 5% van hun vermogen in zitten, terwijl deze markten ongeveer 11% van de wereldwijde aandelenindex vertegenwoordigen. Bij obligaties is de onderweging nog groter, met vaak maar 1% tot 3%.

Een deel daarvan is te begrijpen. Beleggers zijn vijftien jaar lang beloond voor hun voorkeur voor Amerikaanse aandelen. Maar die voorkeur is zo groot geworden, dat hij de waarderingen en de spreiding in portefeuilles beïnvloedt. De vraag is dus niet alleen of opkomende markten aantrekkelijk zijn, maar ook hoeveel van de huidige voorkeur voor de Verenigde Staten nog terecht is.

Kunstmatige intelligentie speelt daarbij ook een rol. In rijke landen kan naar schatting ruim 14% van de banen worden geautomatiseerd, in ontwikkelende economieën minder dan 5%. Tegelijk kunnen die landen juist profiteren van eenvoudige AI-toepassingen, die minder ervaren werknemers productiever maken. Daarvoor zijn niet altijd dure datacenters nodig.

Kijk naar de verschillen

De sterke prestaties van opkomende markten geven dus een wat misleidend beeld. Wie via een breed indexfonds belegt, krijgt vooral een grote positie in Taiwan en Zuid-Korea en daarmee in de wereldwijde vraag naar chips. Daaronder liggen echter markten die in het gemiddelde nauwelijks zichtbaar zijn: goedkoop gewaardeerd, sneller groeiend en met centrale banken die meer ruimte hebben.

De kans ligt daarom niet in het simpelweg verhogen van een brede indexpositie, maar in het maken van onderscheid tussen landen, sectoren en beleggingscategorieën. Na een decennium waarin beleggers massaal voor Amerikaanse aandelen kozen, is het de moeite waard om opnieuw naar opkomende markten te kijken. Let daarbij vooral op de verschillen, niet op de overeenkomsten.