Harry Geels: De mythe van Trump als rechtse kapitalist
Door Harry Geels
Recente uitlatingen van Trump (tijdens zijn 4th of July-speech) en Vance (in een interview met The Daily Wire) wijzen eerder op conservatief-christelijke, of zelfs mercantilistische politiek dan op liberaal-kapitalistische visies. Eens te meer blijkt: het klassieke links-rechtsframe is intellectueel armoedig en onnodig polariserend.
In zijn 4th of July-toespraak sprak Trump niet over vrije markten, deregulering of vrijhandel als hoogste idealen, maar over nationale grootheid, Amerikaanse productie, sterke gezinnen en een overheid die actief bijdraagt aan die doelen. Zijn steun voor de zogeheten Trump Accounts, waarbij elk Amerikaans kind een startkapitaal van 1.000 dollar krijgt, past in hetzelfde patroon. Samen met zijn tarievenpolitiek, zijn voorkeur voor industriepolitiek en zijn streven om strategische sectoren onder Amerikaanse controle te houden, wijst dat veel meer in de richting van economisch nationalisme.
Dat beeld wordt nog versterkt door vicepresident J.D. Vance, die steeds vaker fungeert als de intellectuele stem van het Trumpisme. In een recent interview met Michael Knowles van The Daily Wire verklaarde Vance dat de Republikeinse economische koers tegenwoordig "much more Alexander Hamilton than it is Milton Friedman" is. Daarmee neemt hij expliciet afstand van de vrije-markttraditie die decennialang de economische ruggengraat vormde van de Republikeinen. Volgens Vance is de economie geen doel op zichzelf, maar een instrument om menselijke waardigheid, gezinnen, gemeenschappen en een zinvol leven te ondersteunen.
Opmerkelijk is dat Vance niet alleen vrijhandel en globalisering bekritiseert, maar ook het meritocratische ideaal dat zo kenmerkend is voor het klassieke liberalisme. Hij stelt dat economische groei weinig waarde heeft als die ten koste gaat van familie, gemeenschap en sociale samenhang. Daarmee staat hij dichter bij conservatief communitarisme en kerkelijke sociale leer dan bij het economische liberalisme van Reagan, Thatcher, Friedman of Hayek. Wie Trump en Vance nog steeds ziet als vertegenwoordigers van een onversneden kapitalistische of libertaire rechterflank, kijkt eigenlijk naar een Republikeinse Partij die niet meer bestaat.
Politiek is niet meer één-dimensionaal
Trumpisme is hét bewijs dat het huidige politieke landschap zich moeilijk in een links-rechtsframe laat vangen. Het politieke landschap laat zich veel beter langs twee assen definiëren. De verticale as bevat de tegenstelling tussen nationalisme en globalisme. Aan de bovenkant zitten de politieke stromingen die groot belang hechten aan het eigen land en de culturele waarden die daar worden gehuldigd. Globalisten gaan liever op in internationale structuren. Landsgrenzen worden bekritiseerd omdat zij andere mensen uitsluiten en noodzakelijk geachte internationale samenwerking bemoeilijken.

Daardoor ontstaan vier kwadranten. Linksonder vinden we de progressieve en socialistische stromingen die zowel collectivistisch als internationaal georiënteerd zijn. Rechtsonder bevinden zich de klassieke liberalen, neoliberalen en libertariërs die geloven in open grenzen, vrijhandel, globalisering en een beperkte overheid. Rechtsboven zitten de conservatieven die nationale identiteit, traditie en gemeenschapszin centraal stellen, maar zonder de sterke economische staatssturing van socialistische systemen. Linksboven bevinden zich de collectivisten, die een sterke staat combineren met nationale belangen en economische sturing.
Opvallend is dat Trump nauwelijks in het klassieke liberale kamp past. Vrijhandel, globalisering, open markten en een terughoudende overheid vormen niet de kern van zijn politieke project. Zijn tarievenpolitiek, industriepolitiek, immigratiebeperkingen, bemoeienis met strategische sectoren en zijn voorstel voor 1.000 dollar startkapitaal voor ieder kind, wijzen allemaal in een andere richting. Dat betekent niet dat Trump een socialist is in de traditionele betekenis van het woord. Het betekent wel dat de gebruikelijke voorstelling van Trump als een ultrakapitalistische vertegenwoordiger van "rechts" de werkelijkheid onvoldoende beschrijft.
Het Trumpisme lijkt eerder op een vorm van nationaal-conservatief mercantilisme: een sterke staat, een sterke natie, bescherming van de eigen industrie, ondersteuning van gezinnen en een economie die volgens Trump en Vance in dienst moet staan van het nationale belang. In mijn schema komt Trump daarom niet uit in het liberaal-
kapitalistische kwadrant rechtsonder, maar veel hoger, in het gebied waar conservatisme, nationalisme en economische sturing elkaar raken.
Tot slot
Trump en Vance hebben zich recent duidelijk afgezet tegen de grote ideologische tegenpolen van de twintigste eeuw. In zijn 4th of July-toespraak haalde Trump uit naar het communisme en presenteerde hij dat als een bedreiging voor de Amerikaanse vrijheid. Tegelijkertijd neemt Vance openlijk afstand van Milton Friedman en het economische liberalisme dat decennialang het Republikeinse denken domineerde. Daarmee verwerpen zij zowel het internationalistische collectivisme als het globalistische marktliberalisme.
Steeds meer politieke bewegingen laten zich niet meer duiden met de klassieke tegenstelling tussen socialisme/communisme en liberalisme/libertarisme. De werkelijke scheidslijn loopt steeds vaker tussen nationalisme en globalisme, tussen gemeenschap en markt, tussen economische sturing en economische laissez-faire.
Dit alles staat overigens los van mijn eigen politiek-economische oordeel over Trump. Het punt van deze column is niet om zijn politiek te verdedigen. Geenszins zelfs, ik ben het op veel vlakken oneens met hem. Het gaat er nu om Trump’s plaats in het politieke landschap te verklaren. Wie de huidige politiek wil begrijpen, moet nu eindelijk eens afscheid nemen van het polariserende links-rechtsframe.