Han Dieperink: Olie naar 50 dollar
Door Han Dieperink, geschreven op persoonlijke titel
De olieprijs staat op het laagste punt in drie maanden. Brent-olie kost net geen $ 80 per vat en WTI-olie ligt daar iets onder. Het lijkt op een adempauze, maar in werkelijkheid is hier sprake van een langetermijnontwikkeling.
Verschillende factoren dragen momenteel bij aan de lagere olieprijs: een groeiend overschot aan olie, een kartel dat zijn macht verliest, landen die hun productie laten bepalen door hun begroting, strategische voorraden die de pieken afremmen en een vraag die haar hoogtepunt nadert. Samen kunnen ze de prijs richting $ 50 duwen. De markt houdt daar nog te weinig rekening mee.
Het aanbod groeit sneller dan de vraag
De kern van het verhaal staat in de eerste vooruitblik van het Internationaal Energieagentschap (IEA) op 2027. Het IEA verwacht dat het wereldwijde aanbod toeneemt met acht miljoen vaten per dag, terwijl de vraag maar met twee miljoen vaten groeit. Dat verschil van zes miljoen vaten per dag is geen klein detail, maar een duidelijk overschot.
Als er elke dag meer olie wordt opgepompt dan de wereld gebruikt, kan de prijs maar een kant op, en dat is omlaag. De directe aanleiding voor de recente daling is het naderende akkoord tussen de Verenigde Staten en Iran. Zodra dat is getekend, mag Teheran weer verkopen en gaat de Straat van Hormuz open. Elk vat dat de Golf opnieuw verlaat, maakt het overschot groter.
Het kartel verliest zijn greep
De belangrijkste nieuwe ontwikkeling is dat de Verenigde Arabische Emiraten na 59 jaar uit OPEC stappen. De directe gevolgen zijn beperkt, want het land is goed voor zo'n 3% tot 4% van de wereldproductie.
De betekenis zit vooral in het signaal. Abu Dhabi heeft fors geïnvesteerd om de productie naar vijf miljoen vaten per dag te brengen, maar mocht door de afspraken van het kartel niet meer dan ongeveer 3,5 miljoen vaten verkopen. De Emiraten houden hun begroting al in evenwicht onder de $ 50, terwijl Saudi-Arabië $ 90 of meer nodig heeft. Daarom ziet Abu Dhabi geen reden om de productie nog langer te beperken.
Het marktaandeel van OPEC is intussen gedaald van ruim de helft naar hooguit 35%, het laagste niveau sinds de jaren tachtig. Voor de crisis met Iran lukte het OPEC al nauwelijks om de prijs op $ 65 te houden. Na die crisis lukt dat al helemaal niet meer, en is $ 50 goed denkbaar.
De begroting bepaalt het aanbod
Wie de oliemarkt wil begrijpen, moet beseffen dat de prijs verschillende evenwichtsniveaus kent. In een gewone markt reageert het aanbod netjes op de prijs: daalt de prijs, dan zakt de productie. Bij olie werkt dat vaak niet zo, want veel exporteurs laten hun productie bepalen door hun begroting. Een land dat een vast bedrag aan olie-inkomsten nodig heeft, gaat juist meer produceren als de prijs daalt. Halveert de prijs, dan moet zo'n land bijna twee keer zoveel verkopen om hetzelfde te verdienen.
Dat geldt vooral voor landen die krap bij kas zitten, zoals Rusland, maar ook Saudi-Arabië heeft ruim $ 90 per vat nodig. Zakt de prijs richting $ 50, dan slaat de normale zelfcorrectie om in het tegendeel: in plaats van de kraan dicht te draaien, pompen deze landen juist harder door. Daardoor wordt de markt op lagere niveaus niet stabieler, maar onrustiger, en kan een daling zichzelf versterken.
Strategische voorraden vlakken de pieken af
Een onderschatte factor is de rol van de strategische voorraden. De Amerikaanse overheid heeft de afgelopen drie maanden ongeveer 75 miljoen vaten op de markt gebracht om de prijsstijging tijdens het conflict af te remmen. China beschikt over een vergelijkbaar middel. Wat ooit bedoeld was om tekorten te voorkomen, werkt nu als drukmiddel tegen tijdelijke pieken: verkopen als de prijs hoog is en later goedkoper terugkopen. Zo leggen overheden een bovengrens op de prijs, terwijl de onderliggende krachten omlaag wijzen. Amerikaanse schalieproducenten werken bovendien rendabel tussen de $ 60 en $ 80, waardoor het aanbod ook bij lagere prijzen op peil blijft.
De vraag nadert haar hoogtepunt
Achter dit alles schuilt een traag maar onomkeerbaar proces. Elke oliecrisis vernietigt een deel van de vraag, en de energietransitie versterkt dat effect. Naarmate landen als China hun wegvervoer elektrificeren, vlakt de vraag naar olie af. In de Verenigde Staten daalt het benzineverbruik al jaren door zuinigere motoren, hybrides en elektrisch rijden. De vraag is niet langer de betrouwbare groeimotor van vroeger.
Wat dit betekent voor de portefeuille
In de markt worden de ramingen voor het vierde kwartaal van 2026 al verlaagd van $ 90 naar $ 80, omdat de geopolitieke risicopremie wegvalt. Op die premie zit voortaan een plafond door de inzet van de strategische voorraden. Als het structurele overschot, een verdeeld OPEC, een door begrotingen gestuurde productie en een piekende vraag samenvallen, is $ 50 geen extreem scenario, maar een reële mogelijkheid.
Het zwaartepunt van de risico's is verschoven van een prijspiek naar een prijsdaling. Een lagere olieprijs drukt de kosten, tempert de inflatie en werkt zo door in het rentebeeld. Zo'n daling werkt uiteindelijk als een grote belastingverlaging, en dat is goed nieuws voor aandelen.