Steven Poelhekke: Hoe houden we de klimaattransitie op schema in tijden van oorlog?
Steven Poelhekke: Hoe houden we de klimaattransitie op schema in tijden van oorlog?
Oorlogen, free rider-gedrag en exportbeperkingen zetten klimaatbeleid onder druk. Niettemin moeten we hoopvol blijven, stelt Prof. Dr. Steven Poelhekke, hoogleraar International Environmental Economics aan de VU. Volgens hem zijn optimisme, aanpassingsbereidheid en realistisch beleid, zoals het beprijzen van CO2, essentieel voor een succesvolle duurzame transitie.
Door Harry Geels
Waarom wordt klimaatbeleid vaak aangewezen als zondebok voor problemen die in werkelijkheid worden veroorzaakt door andere factoren, zoals globalisering en trends in internationale handel?
‘De laatste jaren heeft de discussie over de energietransitie een andere dimensie gekregen door de verschillende crises. De oorlogen in Oekraïne en Iran hebben aangetoond dat consumenten ineens met flink hogere prijzen van fossiele brandstoffen kunnen worden geconfronteerd, met zorgen over winstgevendheid en banenverlies tot gevolg. Dit frustreert klimaatbeleid dat de CO2-uitstoot stapsgewijs beprijst.
Desondanks moeten we ervoor waken dat het plan dat we hebben uitgestippeld voor een CO2-neutrale economie niet wordt vertraagd. Bedrijven zijn gebaat bij een duidelijk pad waar zij naartoe moeten bewegen en waarop zij redelijkerwijs hun investeringen kunnen baseren om het eindpunt te bereiken. Nu afwijken van dat pad omwille van een tijdelijke crisis zou kortzichtig zijn. Het pad is duidelijk en zal naar verwachting netto geen banen kosten, omdat bedrijven en mensen zich erop kunnen aanpassen. Plotselinge schokken in de energieprijzen, zoals we die nu zien, maken zulke aanpassingen urgenter, maar ook veel moeilijker. We moeten echter geen zaken door elkaar halen. Meer in het algemeen zullen er banen verloren gaan bij bedrijven die zich niet kunnen of willen houden aan het uitgestippelde CO2-pad, maar er zullen ook winnaars zijn die groeien. Dat globalisering banen kost, is achterhaald, want op termijn verschuift arbeid van bedrijven die concurrentie niet aan kunnen naar bedrijven die dat wel kunnen en juist floreren.
We moeten ervoor waken dat het pad naar een CO2-neutrale economie niet wordt vertraagd door tijdelijke crises.
De grote uitdagingen op dit moment zijn de subsidies op fossiele brandstoffen waarvan diverse bedrijven ‘genieten’, en het feit dat Europese bedrijven – door CO2-beprijzing – moeilijker kunnen concurreren met niet-Europese bedrijven buiten de EU. Er is daardoor geen level playing field en bovendien is er sprake van free rider-gedrag van landen die het niet zo nauw nemen met duurzaamheid. Gelukkig hebben we nu het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) dat CO2-intensieve importen uit niet-Europese landen beprijst, en worden alternatieve energiebronnen, zoals zonne- en windenergie steeds goedkoper.’
Kan de duurzame transitie niet (ook) via verbruiksbelastingen lopen: minder btw op groene producten en meer btw op vervuilende producten? Of via een moreel beroep op consumenten om te consuminderen?
‘Consuminderen gebeurt al op bescheiden schaal, maar niet genoeg, want mondiaal vliegen we niet minder en eten we ook niet minder vlees. Met verschillende btw-tarieven introduceren we een uitdaging, namelijk het definitieprobleem van wat schone en vieze producten zijn. Daar komt veel discussie en beleid bij kijken. Het is beter om klimaatbeleid vorm te geven via CO2-beprijzing die bedrijven moeten betalen. Een moreel appèl is sympathiek, maar in de praktijk is het lastig om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Als iedereen stedentripjes maakt met goedkope vluchten, is het lastig voor een individu daar niet aan mee te doen. Ik vrees ook dat gedragsaanpassing veel te lang zal duren. Dat vergt opvoeding en educatie. Maar goed, alle beetjes helpen. Dus het pad van de moraliteit moeten we zeker blijven bewandelen. Alleen moeten we ons er niet rijk mee rekenen. Overigens is het vreemd dat er nog steeds geen btw of accijnzen op kerosine worden geheven. Dat is een bizarre bevoordeling van het vliegverkeer boven duurzamere transportmethoden, zoals de trein.’
Uw onderzoek wijst uit dat grondstoffen- en energiebooms lang niet altijd tot welvaart leiden. Wat bepaalt of energie-onafhankelijkheid een land daadwerkelijk rijker maakt in plaats van armer?
‘Het gaat niet alleen om de welvaartsvraag, maar ook om autonomie. Sinds de oorlogen in Oekraïne en Iran, en Amerika’s handelsoorlog met China, die het aanbod van schaarse mineralen frustreert, is het voor iedereen duidelijk dat we voor onze energie niet afhankelijk willen zijn van schurkenstaten, of alles wat daarop lijkt. Duurzame energie is een belangrijk onderdeel van het autonomievraagstuk. Investeringen in een autonome, duurzame energie-industrie leiden echter ook tot veel vraag naar allerlei grondstoffen. Daarvoor heeft de EU de Critical Raw Materials Act (CRMA) opgesteld.
Helaas moeten we vanwege onze grondstoffenbehoefte compromissen sluiten, bijvoorbeeld door zaken te doen met landen waaruit we liever geen grondstoffen importeren of door een bepaalde mate van vervuilende mijnbouw en raffinage toe te staan. Waarschijnlijk gaat het om een overgangsfase totdat we volledig CO2-neutraal zijn. Een deel van de oplossing is recycling, maar daar moeten we nog veel beter in worden. Ik ben optimistisch, omdat ik denk dat technologie ons ver kan brengen. Maar dan moeten we wél blijven investeren in onderzoek, onderwijs en een goede financiële infrastructuur om start-ups te ondersteunen.
Ik geloof niet in ‘degrowth’, maar in groene groei. Daarbij moeten we oog hebben voor mogelijke wealth transfers. Het kan zijn dat bepaalde groepen meer moeten bijdragen aan de transitie, terwijl andere groepen profiteren. Dit zou in de fiscale sfeer verrekend moeten worden, waarbij ik me realiseer dat dit een politieke uitspraak is.’
Hoe kan de overheid het beste omgaan met politieke weerstand tegen de duurzame transitie?
‘Een deel van het politieke probleem is dat de energietransitie gevolgen heeft voor sommige banen. Individuen moeten daarom hulp krijgen zich om te scholen. Bovendien raakt het ieders besteedbaar inkomen. Als producten en diensten door CO2-beprijzing duurder worden, als prijzen aan de pomp stijgen, of als er allerlei investeringen in het huis moeten worden gedaan, raakt dat lagere inkomens relatief meer dan hogere. Dat moet deels worden gecompenseerd via inkomenspolitiek, anders verdwijnt het draagvlak.
Het is beter klimaatbeleid te laten verlopen via CO2-beprijzing dan via morele oproepen of btw-differentiatie.
We moeten creatief zijn. In Californië zijn elektriciteitstarieven bijvoorbeeld inkomensafhankelijk. In Frankrijk kunnen lagere inkomens gesubsidieerd elektrische auto’s leasen. In het nieuwe ondersteuningspakket van € 1 miljard dat de Nederlandse overheid in het kader van de Iran-oorlog heeft opgetuigd, zit ook geld voor lagere inkomens zodat zij zonder rente kunnen lenen voor verduurzaming.’
Tijdens recente crises voerden landen exportverboden in op energie, voedsel en grondstoffen. Uw onderzoek suggereert dat dit soort maatregelen vaak averechts werken. Waarom grijpen overheden hier toch steeds weer naar?
‘Er zijn inderdaad vele voorbeelden van dergelijke verboden. De VS, die in de handelsoorlog met China bepaalde chips niet meer uitvoert, of China, dat op zijn beurt bepaalde kritieke mineralen weigert te exporteren. We zien dan hoe afhankelijk we allemaal zijn van de ‘justin- time’ aanbodketens die dwars door de wereld lopen. Relatief nieuw zijn exportverboden op ruwe grondstoffen. Indonesië heeft bijvoorbeeld bepaald dat ruwe nikkelerts niet meer mag worden uitgevoerd, tenzij het eerst lokaal verwerkt wordt, uiteindelijk tot aan het maken van batterijen of auto’s toe. De hele keten wordt dan naar het land toegetrokken, met als doel meer aan de grondstof te verdienen.
Als de energietransitie lagere inkomens harder raakt, moet dat via inkomenspolitiek worden gecompenseerd.
Dit beleid is niet zonder risico. Er worden miljarden aan inkomsten uit ruwe nikkel opgegeven, terwijl de winsten in de rest van de keten nog moeten worden gerealiseerd. Een van de uitdagingen is het aantrekken van investeerders die bijvoorbeeld batterij- of autofabrieken willen opzetten. Een andere uitdaging is dat importeurs van nikkel naar alternatieven gaan zoeken. Een derde vorm van exportverboden betreft het beperken van voedselexport om lokale voedselnood tegen te gaan. Ook dit leidt tot aanbodschokken, inflatie, en vicieuze tegenreacties van andere landen. Wetenschappers en ngo’s, in het bijzonder de Wereldbank en het IMF, proberen ons gelukkig bewust te maken van de negatieve gevolgen van dit soort beleid, met wisselend succes helaas.’
Als u één wijdverbreid misverstand in het huidige klimaat- en economiedebat zou mogen corrigeren, welk zou dat zijn?
‘Als ik er echt maar één mag noemen, dan is het dat we optimistisch moeten blijven en doemverhalen, die vooral door activisten worden verspreid, moeten vermijden. Er kúnnen extreme klimaatschokken optreden, ook wel ‘tipping points’ genoemd, maar de kans daarop is lastig te bepalen. Ondertussen kunnen we aan adaptatie doen. We kunnen gebouwen aanpassen, andere gewassen verbouwen, verhuizen of zelfs migreren. De impact van klimaatverandering wordt dan kleiner. We onderschatten het menselijke vermogen tot aanpassing. Overigens kunnen we ons niet het risico permitteren om ons niet aan te passen.
Let wel: het is én-én: beprijzen én aanpassen, en alle andere zaken die we hebben besproken. Mensen of landen die niet de middelen hebben om zich aan te passen, moeten we daarbij zoveel mogelijk helpen, bijvoorbeeld via kennisoverdracht, zoals wanneer onze ingenieurs Bangladesh helpen zich te beschermen tegen overstromingen. Helaas staat dit soort ontwikkelingshulp steeds minder op de politieke agenda.’
Heeft u in de loop van uw carrière belangrijke inzichten, lessen of overtuigingen gehad die u ingrijpend heeft moeten herzien door nieuw wetenschappelijk onderzoek?
‘Laten we eerlijk zijn: economie is geen exacte wetenschap en we weten nooit helemaal zeker of beleid dat economen uitdenken, op basis van een economische school of empirisch onderzoek, ook daadwerkelijk werkt. Een van de complicaties is dat een economie een ‘moving target’ is, door technologische ontwikkelingen en veranderende wetgeving, beleid, instituties en moraal. Economen worden vaak om hun mening gevraagd. Ik denk dat we die vaker met de nodige bescheidenheid of nederigheid zouden moeten geven. Keynes zei ooit treffend dat een econoom tegelijkertijd wiskundige, historicus, staatsman en filosoof moet zijn. Overigens ligt in ons vakgebied de lat om iets met stelligheid te beweren steeds hoger. Dat is enerzijds goed – daarmee versterken we de autoriteit van de econoom – maar anderzijds leidt dit ook tot economen die veel weten van één deelgebied, maar het grote plaatje missen.’
Tot slot: wat zijn uw persoonlijke en professionele doelen of ambities voor de rest van uw leven en academische loopbaan?
‘Ik voel me een echte wetenschapper. Ik doe graag onderzoek en heb steeds weer voldoende ideeën voor nieuw onderzoek, vooral naar opkomende markten, omdat we daar de meeste vooruitgang kunnen boeken voor de mensheid in het algemeen. In Nederland gaat gelukkig al veel goed. Wellicht wordt het, wanneer de onderzoeksideeën opdrogen, tijd om verder te kijken, bijvoorbeeld naar het bestuur of de politiek. Maar voorlopig is de wetenschap nog veel te fascinerend.’
|
Steven Poelhekke Steven Poelhekke is Hoogleraar Internationale Milieu-economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij behaalde zijn PhD aan het European University Institute in Florence en is Research Fellow bij CEPR. Eerder werkte hij aan de University of Auckland en bij De Nederlandsche Bank. Zijn onderzoeksinteresses beslaan internationale handel en investeringen, en de raakvlakken daarvan met ontwikkelings- en milieueconomie. |
Lees het volledige verslag in Financial Investigator magazine