Harry Geels: Vier monetaire mechanismen die ongelijkheid vergroten

Harry Geels: Vier monetaire mechanismen die ongelijkheid vergroten

Monetair beleid

Door Harry Geels

In onze maatschappij bestaan diverse structuren die ongelijkheid bevorderen. Het monetaire systeem is daar een van. Het bevoordeelt de ‘haves’ boven de ‘have-nots’ door middel van inflatiebeleid, ondersteuning van financiële markten, en financiële repressie. Ook ondersteunt monetair beleid banken, onder andere via monetaire bailouts.

In de discussie over ongelijkheid staat vaak het kapitalisme centraal. Er zijn echter drie onderliggende structuren in onze maatschappij die veel meer bijdragen aan ongelijkheid, te weten marktmacht van grote bedrijven, monetair beleid, en bancair beleid. Ook overheidsbeleid heeft via belastingen en subsidies invloed op ongelijkheid, al is het netto-effect hiervan lastiger vast te stellen. Monetair beleid vergroot ongelijkheid op verschillende, vaak niet direct waarneembare, manieren.

Kwantitatieve verruiming

Zoals eerder betoogd, is (monetair) beleid nooit neutraal. Er zijn altijd mensen die er last van hebben en mensen die ervan profiteren. Kwantitatieve verruiming (QE) – het bijdrukken van geld door centrale banken om daarmee beleggingen op te kopen – is een duidelijk voorbeeld van een techniek met diepe politieke consequenties. Zij leidt aantoonbaar tot stijgende koersen, omdat er een extra koper de markt in stapt zonder acht te slaan op de onderliggende ‘fundamenten’ van de opgekochte beleggingen.

QE bevoordeelt daarmee de bezitters van beleggingen. Zij kunnen vervolgens beurswinsten gebruiken om te besteden. QE betrof voorheen vooral staatsobligaties, maar sinds de kredietcrisis heeft het allerlei vormen aangenomen. In de VS werden door de Fed toxische vastgoedbeleggingen van banken opgekocht. De ECB ging bedrijfsobligaties van grote bedrijven aankopen en de Zwitserse en Japanse centrale banken (SNB en BoJ) hebben zelfs op grote schaal aandelen(-ETF’s) opgekocht.

De SNB heeft inmiddels meer dan 200 miljard dollar aan Amerikaanse aandelen op de balans staan. De BoJ had op een gegeven bijna 7% van de Japanse aandelenmarkt in bezit (zie onderstaande grafiek). Behalve dat dergelijk opkoopbeleid koersen van beleggingen ondersteunt, verstoort het ook het principe van de vrije markt. QE zou daarmee eigenlijk niet moeten worden toegepast door centrale banken. Zeker niet structureel. Hoogstens tijdelijk in een zware crisis.

Monetaire (en fiscale) bailouts

Tijdens de kredietcrisis werden diverse banken gered door overheden. Sommige kregen staatshulp, andere werden overgenomen. Dit zijn regelrechte ‘wealth transfers’ van belastingbetalers naar bankiers. Maar de monetaire bailout zijn subtieler. Zo staan centrale banken in hun toezicht in feite toe dat in de meeste landen bankoligopolies bestaan, die consumenten geld kosten (bijvoorbeeld door te lage rentevergoedingen) ten gunste van bankiers.

Andere voorbeelden van monetaire bailouts zijn het eerdergenoemde opkopen van toxische vastgoedbeleggingen en het noodinstrument LTRO (Long Term Refinancing Operations), dat de ECB inzette op het hoogtepunt van de eurocrisis, met name in december 2011 en februari 2012, toen banken elkaar niet langer durfden te financieren en meerdere eurolanden de toegang tot de kapitaalmarkt dreigden te verliezen. In twee rondes verstrekte de ECB toen ruim 1.000 miljard euro aan meerjarige leningen aan Europese banken tegen extreem lage rentes.

Officieel ging het om ‘liquiditeitsmaatregelen’, maar feitelijk functioneerde de LTRO als een monetaire bailout. Banken kregen weliswaar geen kapitaalinjectie, maar wel onbeperkt en goedkoop geld van de centrale banken. Dat geld werd vervolgens grotendeels gebruikt om staatsobligaties van kwetsbare landen te kopen, waardoor ook overheden indirect werden gered. LTRO voorkwam zo faillissementen en renteschokken, maar deed dat door risico’s te verplaatsen naar de balans van de centrale bank.

Financiële repressie

Een derde monetair mechanisme loopt via het rentekanaal. Centrale banken, met name de BoJ en de SNB,  hebben bijna overal ter wereld gepoogd de rente laag te houden, overigens beide om verschillende redenen (de BoJ om groei en inflatie aan te wakkeren, de SNB om de koers van de Zwitserse franc te drukken). De ECB heeft de rente lange tijd zelfs negatief gemaakt. Dit heeft spaarders structureel benadeeld: hun vermogen groeit niet mee met inflatie en verliest reëel aan waarde.

Juist lagere en middengroepen houden relatief veel vermogen aan in spaargeld en deposito’s, terwijl vermogendere huishoudens toegang hebben tot krediet en beleggen in vastgoed en financiële assets. Lage rentes verhogen die assetprijzen en verlagen tegelijkertijd de schuldenlast voor wie kan lenen. Zo werkt rentebeleid als een stille herverdeling van spaarders en looninkomens naar schuldenaars en vermogensbezitters, een impliciete belasting op voorzichtigheid en een subsidie op bezit en leverage.

Inflatiebeleid

Tot slot werkt ook inflatiebeleid ongelijkheidsversterkend, omdat het vooral de koopkracht aantast van mensen die hun inkomen grotendeels direct moeten besteden aan wonen en levensonderhoud. Voor hen functioneert inflatie als een stille belasting. Vermogendere huishoudens consumeren relatief minder en beleggen een groter deel van hun inkomen. Juist die financiële en reële assets profiteren vaak van ruim monetair beleid via lagere rentes en hogere prijzen, waardoor vermogenden de prijsinflatie ruimschoots weten te compenseren met vermogenswinsten, zelfs als de prijsindex voor luxere goederen meer is gestegen dan de ‘gewone’ prijsindex).

Tot slot

Wat deze monetaire mechanismen met elkaar gemeen hebben, is dat zij politieke keuzes verhullen achter technisch jargon. Kwantitatieve verruiming verschuift vermogen naar assetbezitters, bailouts beschermen financiële structuren tegen marktdiscipline, en inflatie- en rentebeleid tasten primair koopkracht en spaargeld aan. Samen vormen zij een systeem waarin risico’s worden afgedekt aan de bovenkant en gedragen aan de onderkant. Ongelijkheid is geen expliciet beleidsdoel, maar wel een structureel gevolg.

Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels