Han Dieperink: Hoeveel aandelen heb je eigenlijk nodig?

Han Dieperink: Hoeveel aandelen heb je eigenlijk nodig?

Aandelen

Vraag een vermogensbeheerder hoeveel aandelen er in een portefeuille horen en het antwoord is bijna altijd hetzelfde: het hangt af van je leeftijd en je risicoprofiel. Maar klopt dat wel?

Door Han Dieperink, geschreven op persoonlijke titel

De aanname dat jonge personen meer in aandelen moeten beleggen en oude personen meer in obligaties lijkt intuïtief te kloppen. Toch worden met deze benadering veel persoonlijke aspecten over het hoofd gezien.

James Choi, Hoogleraar Financiering aan Yale, heeft samen met twee promovendi een formule ontwikkeld die verder kijkt. De formule neemt inkomen, spaargeld, risicotolerantie en toekomstige verdiensten mee in de berekening van een optimale verdeling tussen aandelen en obligaties. Het resultaat is in veel gevallen agressiever dan de gangbare adviezen, en dat is niet zonder reden. Toekomstige loonstroken gedragen zich als een obligatie, omdat schommelingen in arbeidsinkomen nauwelijks samenhangen met beursrendementen. Dat impliciete obligatiedeel is zo groot, dat een beleggingsportefeuille gerust volledig uit aandelen kan bestaan.

Het Nederlandse verschil

Choi’s formule houdt nog geen rekening met de omvangrijke pensioenvoorziening die hier de norm is. De verplichte pensioenopbouw via werkgevers vormt voor de meeste Nederlanders een enorm obligatie-achtig vermogensbestanddeel boven op het toekomstige arbeidsinkomen. Daar komt de AOW nog bij, een geïndexeerde basisuitkering die zich als een inflatiebestendige obligatie gedraagt. Wie het pensioenvermogen en de AOWrechten optelt bij het menselijk kapitaal, concludeert dat de impliciete obligatiecomponent van de gemiddelde Nederlander aanzienlijk groter is dan die van een Amerikaan. De vrij belegbare portefeuille kan in die context een hoger aandelenpercentage dragen dan de vuistregels suggereren.

Naarmate iemand ouder wordt en meer heeft gespaard, verandert het beeld. Een vijftigjarig stel met een gezamenlijk inkomen van 150.000 euro en 400.000 euro aan vrij belegbaar vermogen krijgt van de formule een allocatie van bijna 90% aandelen. Heeft datzelfde stel het dubbele gespaard, dan daalt het advies naar ruim 50%. Hoe groter het gespaarde vermogen ten opzichte van het nog te verdienen inkomen en de pensioenrechten, hoe meer het beleggingsrisico doorwerkt in de totale levenswelvaart.

De dubbele obligatiecomponent

Wat de formule verder onderscheidt van vuistregels is de rol van risicotolerantie. Op een schaal van één tot tien kan het verschil tussen een drie en een vijf leiden tot een allocatieverschil van meer dan twintig procentpunt. Dat is relevant, want de gangbare richtlijnen behandelen alle beleggers van dezelfde leeftijd alsof ze dezelfde nachtrust hebben bij een beurscrash. De formule optimaliseert bovendien niet voor het maximale eindvermogen, maar voor het nut dat iemand over een heel leven haalt uit zijn bestedingen. Elke extra euro levert minder geluk op dan de vorige, en de formule houdt daar rekening mee.

Toch is het opmerkelijk hoe conservatief veel Nederlanders beleggen met hun vrije vermogen, terwijl ze tegelijkertijd via hun pensioenfonds een enorm obligatie-achtig blok bezitten. De neiging om ook het vrij belegbare deel defensief in te vullen, leidt in feite tot een verdubbeling van de obligatiecomponent. Het Nederlandse pensioenstelsel is een luxe die weinig landen kennen, maar die luxe vertaalt zich alleen in hogere welvaart als beleggers hun vrije portefeuille daarop afstemmen. Dat betekent niet dat iedereen morgen zijn hele portefeuille in aandelen moet stoppen. Het betekent wel dat de vraag hoeveel aandelen je nodig hebt voor Nederlanders met een goede pensioenopbouw een ongemakkelijk antwoord oplevert: waarschijnlijk meer dan je denkt.

 
Meer columns van Han Dieperink