Bob Homan: China profiteert van de nieuwe energie-orde
Door Bob Homan, Hoofd ING Investment Office
Elke energiecrisis creëert winnaars en verliezers. In de jaren ’70 was het Japan dat zich razendsnel aanpaste aan een wereld van dure energie. In de huidige energiecrisis lijkt China de juiste kaarten in handen te hebben.
De huidige geopolitieke spanningen en de hernieuwde focus op energiezekerheid leggen pijnlijk bloot hoe kwetsbaar sommige regio’s zijn. Europa is daarvan een duidelijk voorbeeld. Dat zie je terug op de beurs, waar Europese aandelen sinds het uitbreken van de oorlog rond Iran duidelijk achterblijven bij de rest van de wereld.
Tegelijkertijd valt de relatieve kracht van andere economieën op. China wordt in dat verband vaak genoemd als een land dat goed gepositioneerd is om met de huidige energie-uitdagingen om te gaan, net zoals Japan dat deed in de jaren ’70.
De lessen van eerdere oliecrises
De oliecrisis van de jaren ’70 vormde een duidelijke breuklijn. Economieën met een hoge energie-intensiteit en beperkte flexibiliteit verloren terrein, terwijl landen die efficiënt met energie wisten om te gaan en die efficiëntie wisten te vertalen in aantrekkelijke exportproducten juist marktaandeel wonnen.
Japan werd het schoolvoorbeeld van die inventiviteit. De opkomst van kleinere, zuinigere auto’s kwam precies op het juiste moment. Waar Amerikaanse — en in mindere mate Europese — producenten vasthielden aan zware modellen, wist Japan wereldwijd terrein te winnen met efficiëntere alternatieven.
Die voorsprong beperkte zich niet tot de auto-industrie. Ook in sectoren zoals consumentenelektronica boekten Japanse bedrijven snel terreinwinst. De Japanse beurs werd de ‘place to be’. Tegen het einde van de jaren ’80 vertegenwoordigden Japanse aandelen zelfs circa 45% van de wereldindex.
China en de nieuwe energietransitie
De parallellen met het huidige China zijn op het eerste gezicht opvallend. Ondanks een nog altijd relatief hoge energie-intensiteit heeft het land de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie. Tegelijkertijd heeft China een dominante positie opgebouwd op de markt voor producten die essentieel zijn voor elektrificatie en bredere energietransitie.
Waar de omslag in de jaren ’70 draaide om zuinigere verbrandingsmotoren, staat nu de overgang naar elektrisch rijden centraal. China combineert schaal, kostenefficiëntie en technologische integratie, en weet die combinatie ook internationaal steeds beter uit te rollen. Dat geldt niet alleen voor elektrische voertuigen, maar ook voor zonnepanelen en thuisbatterijen.
Geen herhaling, wel een echo
De vraag is in hoeverre dit voor China zal uitmonden in een vergelijkbare periode van economische voorspoed. In sommige sectoren lijkt die dynamiek al zichtbaar, maar het beeld is minder eenduidig dan de vergelijking doet vermoeden.
De wereld verschilt immers wezenlijk van die van vijftig jaar geleden. Wereldhandel is minder vrij, geopolitieke spanningen spelen een grotere rol en China bevindt zich in een andere fase van economische ontwikkeling. Vergrijzing, hoge schulden en een achterblijvende binnenlandse vraag zijn daarbij relevante problemen.
Waar beleggers naar kijken
Een precieze herhaling van het Japan-scenario ligt voor China dan ook niet direct voor de hand. Tegelijkertijd springt het verschil in weging in het oog: Chinese beursgenoteerde bedrijven maken momenteel slechts circa 3% uit van de wereldindex, tegenover de duidelijke dominantie van Japan destijds.
Juist die asymmetrie maakt China interessant. Zonder de parallel op te willen rekken, ligt een overweging van Chinese aandelen binnen een goed gespreide beleggingsportefeuille wel voor de hand.