Schroders: Conflict in Midden-Oosten zet energiebeleid op scherp
De energieschok door het conflict in het Midden-Oosten werkt snel door in de wereldeconomie. Net als eerdere olie- en gasschokken dwingt deze crisis landen om hun energievoorziening opnieuw tegen het licht te houden.
Dat vergroot de risico’s voor groei en inflatie, maar kan volgens Irene Lauro, klimaat econoom bij Schroders, tegelijk nieuwe investeringskansen presenteren; van fossiele projecten tot hernieuwbare energie en kritieke grondstoffen.
Energieschok van 2026: wie is het kwetsbaarst?
Vooral Aziatische economieën zijn kwetsbaar voor de verstoring. Meer dan 80% van de olie- en gasstromen die door de Straat van Hormuz lopen, is bestemd voor Azië. Daardoor zijn landen in de regio extra gevoelig voor leveringsproblemen en scherpe prijsstijgingen.
Europa lijkt op het eerste gezicht minder direct blootgesteld. Slechts een beperkt deel van de Europese olie- en lng-import loopt via de zeestraat. Toch is ook Europa allerminst immuun. Energieprijzen worden immers op wereldmarkten bepaald. Als Europa en Azië tegelijk op zoek gaan naar alternatieven voor de aanvoer van energie uit het Midden-Oosten, kunnen de prijzen langdurig hoog blijven.
De kwetsbaarheid is het grootst in landen die sterk afhankelijk zijn van energie-import. In Azië springen Japan en Zuid-Korea eruit. In Europa geldt dat onder meer voor Italië, Spanje en Duitsland. Voor zulke economieën dreigt een klassiek stagflatiescenario: oplopende inflatie gecombineerd met zwakkere groei.
Een schok die structurele verandering versnelt
Energieschokken blijven zelden beperkt tot een tijdelijke prijspiek. Veel vaker leiden zij tot een fundamentele herziening van het energiebeleid. Overheden en bedrijven gaan op zoek naar meer leveringszekerheid, spreiden hun bronnen en investeren versneld in energiesystemen die minder gevoelig zijn voor geopolitieke verstoringen.
Dat patroon is niet nieuw. Ook eerdere energiecrises lieten zien dat een acute verstoring vaak de aanzet vormt tot blijvende beleidswijzigingen. De huidige energieschok kan daardoor uitgroeien tot meer dan een tijdelijke marktschok: zij kan het energielandschap voor jaren hertekenen.
Geschiedenis herhaalt zich: de olieschokken van de jaren zeventig
De olie-embargo’s van 1973 en 1979 maakten pijnlijk duidelijk hoe afhankelijk industrielanden waren van fossiele brandstoffen uit politiek instabiele regio’s. De gevolgen beperkten zich niet tot hogere brandstofprijzen. In veel landen volgde een structurele koerswijziging in het energiebeleid.
In de vroege jaren zeventig groeide het verbruik van fossiele brandstoffen nog snel. Toen het aanbod abrupt werd teruggeschroefd, moesten overheden snel ingrijpen om de vraag af te remmen. Ook huishoudens en bedrijven werden gedwongen hun gedrag aan te passen. De les was helder: zodra energiezekerheid onder druk staat, kunnen beleidsreacties snel en verstrekkend zijn.
De bonus van decarbonisatie: veiliger én duurzamer
Na de Russische invasie van Oekraïne werd energiezekerheid een extra argument voor de overgang weg van fossiele brandstoffen. Hernieuwbare energie is niet alleen relevant voor lagere uitstoot, maar vermindert ook de afhankelijkheid van ingevoerde brandstoffen.
De forse stijging van de gasprijzen in 2022 zette Europa ertoe aan om de afhankelijkheid van Russische fossiele energie sneller af te bouwen, alternatieve aanvoerbronnen te zoeken en de uitrol van hernieuwbare energie te versnellen. De gevolgen van die beweging zijn inmiddels zichtbaar. In 2025 wekten wind- en zonne-energie in de EU voor het eerst meer elektriciteit op dan fossiele brandstoffen. Daarmee werd Europa minder gevoelig voor externe schokken zoals de huidige.
Ook in Azië hebben eerdere energieschokken de energiemix veranderd. Hogere prijzen voor olie en gas maakten hernieuwbare bronnen relatief aantrekkelijker. Dat versterkte het aandeel van duurzame elektriciteitsopwekking in meerdere Aziatische economieën.
Keerden landen na Oekraïne dan terug naar kolen?
Sommige landen grepen tijdelijk terug op energie uit steenkool, maar dat bleek vooral een noodmaatregel. De neerwaartse langetermijntrend van energie uit steenkool in de elektriciteitsmix bleef overeind. Zelfs in grote steenkool producerende landen als China en India is het aandeel van steenkool in het afgelopen decennium afgenomen.
Beleid speelt daarbij een rol. CO2-beprijzing maakt steenkool minder aantrekkelijk, juist omdat het de meest CO2-intensieve energiebron is. Ook het Europese CO2-grensmechanisme, CBAM, vergroot de druk op handelspartners om zelf emissiebeleid aan te scherpen. Daardoor lijkt een duurzame terugkeer naar steenkool minder waarschijnlijk, zeker voor grote exporteurs naar Europa.
Wat betekent dit voor toekomstige nationale energiestrategieën?
De huidige energieschok onderstreept dat eerdere lessen over energiezekerheid nog niet volledig zijn verwerkt. Zolang economieën afhankelijk blijven van ingevoerde fossiele brandstoffen, blijven zij kwetsbaar.
Op korte termijn zullen overheden waarschijnlijk grotere olie- en gasvoorraden aanleggen als buffer. Het uitbreiden van opslag gaat nu eenmaal sneller dan het neerzetten van nieuwe productiecapaciteit, zeker zolang stroomnetten op veel plaatsen vol zitten.
Waarom hernieuwbaar telt voor veiligheid én kosten
Het conflict met Iran zet hernieuwbare energie opnieuw in de schijnwerpers als strategisch instrument voor meer energie-onafhankelijkheid. Zonne- en windenergie hebben geen fossiele brandstof nodig en zijn daardoor minder gevoelig voor prijsschokken op wereldmarkten.
In Europa bepaalt vaak de duurste centrale, meestal gas, de groothandelsprijs van stroom. Naarmate meer goedkope productie uit zon en wind beschikbaar komt, wordt de gasprijs minder bepalend. Spanje laat dat goed zien: door de sterke groei van hernieuwbare energie (zon, wind) is de elektriciteitsprijs daar minder sterk gekoppeld geraakt aan de gasprijs. Zelfs na de recente stijging van gasprijzen behoort Spaanse stroom nog altijd tot de goedkoopste van Europa.
Brengen hernieuwbare energie-opties dan geen nieuwe aanvoerrisico’s mee?
Die zijn er wel degelijk. Windturbines, zonnepanelen en elektrische voertuigen vragen veel meer, weliswaar andere, grondstoffen dan fossiele energiesystemen. Daardoor verschuift de afhankelijkheid deels van olie en gas naar industriële metalen als lithium, kobalt, grafiet en zeldzame aardmetalen.
Juist daar schuilt een nieuw risico: de productie van veel van deze industriële metalen is sterk geconcentreerd in een klein aantal landen. Congo domineert de kobaltmarkt, China heeft een sleutelrol bij zeldzame aardmetalen en grafiet, en Rusland blijft relevant voor nikkel en kobalt.
Toch hebben hernieuwbare bronnen een belangrijk voordeel. Een operationeel wind- of zonnepark is niet afhankelijk van dagelijkse brandstoftransporten die kunnen worden vertraagd, omgeleid of geblokkeerd. Beperkingen in industriële metalen kunnen de uitrol van nieuwe capaciteit remmen, maar raken bestaande productie veel minder.
Gevolgen: een nieuwe grondstoffencyclus en winnaars van de transitie
De energietransitie kan de mondiale grondstoffenmarkt blijvend veranderen. Voor schone energie zijn grote volumes industriële metalen nodig. Dat ondersteunt de vraag op lange termijn en kan leiden tot een tweesporige supercyclus: dalende fossiele brandstofprijzen op termijn, tegenover stijgende prijzen voor industriële metalen.
Voor opkomende markten zijn de gevolgen voor beleggers aanzienlijk en ongelijk verdeeld. Landen die sterk afhankelijk zijn van exportinkomsten uit fossiele brandstoffen kunnen langdurig te maken krijgen met druk op hun externe positie en overheidsfinanciën naarmate de vraag en prijzen verzwakken. Zij zullen hun economie en begrotingsbeleid moeten aanpassen aan de nieuwe koolstofarme economie, anders dreigen economische spanningen en marktonrust. Dat zal vooral een groot probleem zijn voor opkomende markten die weinig reserves hebben opgebouwd uit eerdere exportopbrengsten.
Een blijvende verbetering van de betalingsbalans van opkomende markten die per saldo fossiele brandstoffen importeren, kan op lange termijn juist gunstig uitpakken voor hun valuta en structureel lagere rentes ondersteunen. De grootste kansen voor beleggers liggen waarschijnlijk echter bij die opkomende markten die in de nieuwe wereld gewilde grondstoffen exporteren.