DNB: Wat betekenen tarieven voor de economie?

DNB: Wat betekenen tarieven voor de economie?

Trade conflict

Tarieven of importheffingen lijken een manier om de eigen economie te beschermen. Maar werkt dat in de praktijk ook echt zo? Hoe pakken importheffingen uit voor de economie van het land dat ze oplegt en voor de landen die ze opgelegd krijgen, en hoe moet de centrale bank hierop reageren? We duiken erin.

Tarieven, ook wel importheffingen genoemd, zijn belastingen die een land oplegt op goederen die van buiten de landsgrenzen komen. Ze maken buitenlandse producten duurder en moeten zo binnenlandse producenten beschermen.

Een eenvoudig voorbeeld is wanneer de Verenigde Staten een tarief op Europese wijn invoeren: de prijs van Franse of Italiaanse wijn in de Amerikaanse winkel stijgt, waardoor de consument sneller een Amerikaanse fles wijn zal kopen. Hoewel dat simpel klinkt, pakt het in de praktijk vaak heel anders uit.

Hoe kosten oplopen

Wanneer een land tarieven invoert, worden geïmporteerde producten dus duurder. De kosten voor bedrijven stijgen en die berekenen ze vaak op zijn minst ten dele door, omdat zij anders hun winstmarges te veel zien afnemen.

Tegelijkertijd raken internationale productieketens verstoord, omdat veel goederen bestaan uit onderdelen die verschillende grenzen passeren voordat ze worden verkocht. Als deze onderdelen duurder worden, wordt produceren minder efficiënt en daalt de productiviteit. Hierdoor groeit de economie trager.

Daarbovenop komt dat plotselinge veranderingen in handelsbeleid voor onzekerheid zorgen. Bedrijven die normaal gesproken investeren of nieuwe mensen aannemen, stellen die beslissingen uit zolang onduidelijk is wat toekomstige kosten en marktomstandigheden zullen zijn. Daardoor worden de negatieve economische effecten op korte termijn nog groter.

Gevolgen voor andere landen

Voor landen die naar een tarief-invoerend land exporteren, zijn de gevolgen direct merkbaar. Zodra de vraag naar buitenlandse producten afneemt omdat ze duurder worden, dalen de inkomsten van exporteurs. Dat betekent minder productie, lagere winsten en teruglopende werkgelegenheid in de sectoren die afhankelijk zijn van de handel met dat land.

Bedrijven kunnen proberen de tarieven deels zelf op te vangen door hun prijzen minder hard te verhogen, maar daardoor daalt hun winst en worden investeringen uitgesteld. Zo kan een kettingreactie ontstaan: consumenten kopen minder, bedrijven produceren minder, werknemers ervaren onzekerheid en investeringen blijven achter. Dat raakt de hele economie van het exporterende land.

De praktijk is in ingewikkeld

Toch vallen de effecten van tarieven in de praktijk vaak minder zwartwit uit dan de theorie beschrijft. Bedrijven spelen namelijk actief in op veranderingen. Zo hebben veel bedrijven al voor de aankondiging van de Amerikaanse tarieven extra voorraden opgebouwd, waardoor de impact van hogere kosten pas later voelbaar is. Verder kan handel verschuiven: als de Verenigde Staten bepaalde landen harder belasten dan andere, wijkt de internationale handel uit naar regio’s waar tarieven lager zijn.

Effecten op prijzen en de euro

Voor de Europese Unie, die te maken heeft met gestegen tarieven, maar minder zwaar wordt geraakt dan sommige andere landen, zijn de effecten lastig eenduidig te bepalen.

Dit is ook terug te zien in de ontwikkeling van de inflatie en de wisselkoers van de euro. Terwijl handelsbelemmeringen en verstoringen van productieketens de inflatie kunnen aanjagen, maakt een sterkere euro de import goedkoper. Daarnaast kan een land als China, dat harder wordt getroffen door de Amerikaanse tarieven dan wij, zich bijvoorbeeld meer gaan richten op export naar Europa.

Een groter aanbod van buitenlandse (bijvoorbeeld Chinese) producten kan de prijzen in Europa drukken. Hierdoor ontstaat een gemengd beeld: inflatie kan zowel stijgen als dalen, afhankelijk van de combinatie van wisselkoersbewegingen, handelsverschuivingen en de manier waarop bedrijven omgaan met kostenstijgingen.

Wat betekent dit voor beleid?

Voor het monetair beleid betekent dit dat centrale banken voorzichtig moeten omgaan met prijsschokken die door tarieven ontstaan. Tarieven leiden vaak tot een eenmalige prijsstijging: dat betekent dat het effect op inflatie tijdelijk is.

Hierom, en omdat tarieven vaak samengaan met een verzwakkende economie, is het voor centrale banken meestal verstandig om niet meteen hard in te grijpen. Als zij de rente zouden verhogen om een tijdelijke piek in inflatie te bestrijden, zouden zij de economie nog verder afremmen.

Wanneer tarieven echter onderdeel blijken van langdurige geopolitieke spanningen en zorgen voor structureel hogere kosten, kan inflatie hardnekkiger worden. In dat geval moeten centrale banken juist wél optreden om te voorkomen dat inflatieverwachtingen oplopen.

De onzekerheid rond handelsbeleid maakt het daarom noodzakelijk dat beleidsmakers stap voor stap blijven beoordelen hoe de economie zich ontwikkelt en flexibel reageren wanneer nieuwe informatie dat vereist.