LFDE: Is de Amerikaanse arbeidsmarkt structureel veranderd?

LFDE: Is de Amerikaanse arbeidsmarkt structureel veranderd?

United States Labor force

Boom or bust. Dat is kort samengevat hoe de Amerikaanse arbeidsmarkt sinds jaar en dag functioneert. Dit blijkt ook uit de cijfers: al sinds medio de jaren 1950 geldt dat wanneer de groei van de Amerikaanse werkgelegenheid vertraagt tot minder dan 1% op jaarbasis, maximaal twee kwartalen later een recessie volgt. 

Die kritieke drempel is in juni vorig jaar overschreden. Toch is er zes maanden later, hoewel de groei van de werkgelegenheid verder vertraagd is tot 0,4% in december, in de Verenigde Staten op het eerste gezicht nog lang geen sprake van een recessie.

Het precieze beginpunt van een recessie, zoals het National Bureau of Economic Research die definieert, wordt weliswaar altijd pas a posteriori bepaald, maar gelet op de criteria uit die definitie lijkt het weinig aannemelijk dat de VS aan de rand van de afgrond staan. Dat stelt Enguerrand Artaz, strategisch analist, La Financière de l’Échiquier (LFDE).

Er dringt zich dan ook een fundamentele vraag op: is de Amerikaanse economie en meer bepaald de arbeidsmarkt dermate structureel veranderd dat een verzwakking van de werkgelegenheid niet langer automatisch een sterke economische vertraging inluidt?

Verschillende elementen lijken daarop te wijzen. In de eerste plaats het Amerikaanse begrotingstekort, dat wars van de prestaties van de economie al tien jaar onophoudelijk stijgt. Sinds de Tweede Wereldoorlog kenden de Verenigde Staten altijd een sterke correlatie tussen de werkloosheid en het begrotingstekort, dat de stijging van de werkloosheid volgde in tijden van recessie, en weer wegsmolt wanneer de arbeidsmarkt opnieuw aantrok.

Aan die correlatie kwam halfweg de jaren 2010 een einde. Vanaf dat moment vertoont het begrotingstekort een gestaag stijgende lijn, terwijl de werkloosheid steeds verder is afgenomen. Die ontkoppeling werd in de hand gewerkt door diverse gebeurtenissen: de invoering van de als 'Obamacare' bekende ziektekostenverzekering in 2013-2014, de belastingenverlagingen die Donald Trump doorvoerde in 2017 tijdens zijn eerste ambtstermijn, de steunmaatregelen tijdens de coronapandemie in 2020 en de herstelplannen van de regering-Biden in 2021.

Economische onzekerheid

Met een stabielere en minder flexibele arbeidsmarkt in combinatie met hogere sociale uitgaven schuiven de Verenigde Staten op in de richting van sommige Europese economieën, die een bijzonder inerte arbeidsmarkt hebben.

Toch is dat wellicht niet de enige verklaring. Sinds corona zijn vraag en aanbod op de arbeidsmarkt ook ingrijpend veranderd. De vraag is de voorbije kwartalen sterk teruggelopen onder druk van economische onzekerheid – vooral in verband met de invoerheffingen – en kostenbesparingen in het bedrijfsleven aan de ene kant, en de snelle opmars van AI in een aantal sectoren aan de andere kant.

Dit heeft niet geleid tot een forse toename van de werkloosheid omdat tegelijk het arbeidsaanbod door twee factoren is verminderd. Ten eerste zijn er vandaag minder 55-plussers aan de slag; de arbeidsparticipatie is in die leeftijdscategorie sterk gedaald tijdens de pandemie en sindsdien verder afgekalfd, terwijl ze voor andere leeftijdscategorieën is hersteld. Ten tweede is er veel minder immigratie sinds de zomer van 2024 en versnelt die trend nog nu Donald Trump opnieuw aan de macht is.

Door die afname van het arbeidsaanbod en het feit dat bedrijven hebben gezien hoe moeilijk het was om na corona weer voldoende arbeidskrachten te vinden, lijken ze nu slechts mondjesmaat in hun personeelsbestand te willen snoeien in plaats van bruusk het mes erin te zetten, zoals voorheen het geval was. Samen met de budgettaire steun verklaart dat waarom de arbeidsmarkt slechts heel geleidelijk achteruitgaat en tot nader order de groei niet afremt.

Sputterende arbeidsmarkt

Ook al klapt de economie er niet door in elkaar, toch valt te verwachten dat een sputterende arbeidsmarkt resulteert in een beperkte toename van de arbeidsinkomsten en langs die weg uiteindelijk de consumptie aantast. De Amerikaanse huishoudens lijken echter nog over enige consumptiemarge te beschikken. Om te beginnen blijft het gebruik van krediet beperkt – consumentenkredieten vertegenwoordigen 22% van het besteedbare inkomen, op de coronaperiode na het laagste cijfer sinds eind jaren 1990.

Nu in het spoor van de renteverlagingen door de Federal Reserve de kredietrente wellicht zal dalen, kan dat cijfer weer gaan stijgen. En hoewel de spaarquote onder het langetermijngemiddelde ligt, handhaaft deze zich nog altijd op een geruststellend niveau, ver verwijderd van eerdere dieptepunten zoals halfweg de jaren 2000. Dat biedt dus extra consumptiepotentieel, ook als de arbeidsinkomsten niet meer stijgen.

Tot slot, al is de impact ervan moeilijker te meten volgens klassieke economische maatstaven, is de onophoudelijke waardestijging van financiële activa positief voor het 'welvaartseffect', wat ook bijdraagt aan de marginale consumptiequote.

De cijfers van de komende maanden zullen uitsluitsel geven, maar een scenario dat de afgelopen decennia ondenkbaar was, lijkt nu toch tot de mogelijkheden te behoren: een Amerikaanse economie die ondanks een stagnerende arbeidsmarkt flink blijft groeien.