Han Dieperink: Waarom een havik als Warsh de rente verlaagt

Han Dieperink: Waarom een havik als Warsh de rente verlaagt

Rente Monetair beleid Fed
Han Dieperink (credits Cor Salverius Fotografie)

Door Han Dieperink, geschreven op persoonlijke titel

Kevin Warsh is beëdigd als zeventiende voorzitter van de Federal Reserve. Maar wie zijn benoeming leest als een overwinning voor losser monetair beleid, heeft niet goed geluisterd. Hij staat voor het tegenovergestelde.

Warsh wil de balans van de Fed, nog altijd zo'n 6.700 miljard dollar, actief afbouwen via de verkoop van staatsobligaties en hypotheekgedekte effecten. Hij wil minder vergaderingen van het Federal Open Market Committee, omdat een centrale bank die elke zes weken aan de knoppen zit vooral ruis produceert. En hij wil af van de stortvloed aan vooruitkijkende uitspraken, te beginnen bij de dot plot, de renteverwachtingsgrafiek die markten meer in verwarring brengt dan stuurt. Warsh is een monetarist in de geest van Milton Friedman: minder discretie, meer discipline, regels boven stemmingen. Dat is het profiel van een havik.

En toch kan juist deze havik leveren wat de president van hem verlangt: een lagere rente. Dat klinkt als een paradox, maar dat is het niet. Warsh wil de vergoeding verlagen die de Fed betaalt op de ruim 3.100 miljard dollar aan reservesaldi van commerciële banken, nu nog 3,65% voor wat in wezen een risicoloze belegging is. Wie banken minder betaalt om geld te stallen, drijft ze richting staatspapier. Dat verhoogt de vraag naar obligaties en drukt de marktrente. Balansreductie en een lagere beleidsrente worden zo twee kanten van dezelfde munt. Warsh verkrapt waar het de geldhoeveelheid en de geloofwaardigheid van de Fed betreft, en versoepelt waar het de prijs van geld betreft. Trump krijgt zijn renteverlaging, maar via een centrale bankier die zegt dat hem nooit om die verlaging is gevraagd.

Het echte werk doet de inflatie, en die zal in de tweede helft van dit jaar in zijn voordeel. werken. Vier krachten wijzen dezelfde kant op en ze versterken elkaar.

De eerste kracht is het uitdoven van de tariefschok. De wederkerige importheffingen van de zomer van 2025 zorgden voor een eenmalige sprong in het prijsniveau. Voor de inflatie telt niet het niveau van de tarieven, maar de verandering ervan, en die verandering rolt vanaf de tweede helft van dit jaar uit de jaar-op-jaarcijfers. Het basiseffect werkt de komende kwartalen vóór een lagere inflatie, zelfs als de heffingen onverkort blijven bestaan. Wat een jaar geleden de cijfers omhoog joeg, trekt ze straks omlaag.

De tweede kracht is de olieprijs. De geopolitieke premie die ontstond rond de Straat van Hormuz verdwijnt zodra de doorvaart weer opengaat en de diplomatie haar werk doet. Daaronder ligt een structureel verhaal: de vraag naar olie vlakt af terwijl het aanbod uit de Verenigde Staten, Brazilië, Guyana en straks Suriname blijft groeien. De geschiedenis laat zien dat de olieprijs zomaar kan halveren, en een halvering werkt vrijwel direct door in de inflatiecijfers. Voor een centrale bank is dat de meest welkome vorm van desinflatie, omdat ze er zelf niets voor hoeft te doen.

De derde kracht zit in de huizencomponent. De Owners' Equivalent Rent is jarenlang het taaiste onderdeel van de Amerikaanse kerninflatie geweest, met een fors gewicht in het mandje. Die component beweegt met aanzienlijke vertraging mee met de werkelijke huurontwikkeling, en die ontwikkeling is al geruime tijd aan het normaliseren. Zakt de OER richting 2%, dan verdwijnt in één klap de belangrijkste reden waarom de kerninflatie hardnekkig boven de doelstelling bleef hangen. Het is een vertraagd effect, maar wel een dat zich nu eindelijk in de cijfers begint af te tekenen.

De vierde en meest onderschatte kracht is de productiviteit. Bedrijven gebruiken generatieve kunstmatige intelligentie steeds breder en dat begint te leiden tot meetbare winst. Hogere productiviteit betekent dat de economie harder kan groeien zonder dat de inflatie oploopt. Het werkt als een positieve aanbodschok, vergelijkbaar met de elektrificatie en de opkomst van het internet, die beide een lange periode van lage inflatie inluidden. Valt de productiviteitsgroei hoger uit dan verwacht, dan krijgt Warsh precies de ruimte die hij nodig heeft.

Wie deze vier krachten bij elkaar optelt, ziet dat de inflatie in de tweede helft van het jaar de Fed eerder helpt dan hindert. Daarmee ontstaat een merkwaardig comfortabele positie voor de nieuwe voorzitter. Hij kan de balans verkleinen, het aantal vergaderingen terugbrengen en de markt minder aan de hand nemen, en tegelijkertijd de rente verlagen zonder zijn geloofwaardigheid te verspelen. Warsh denkt in jaren, niet in vergaderingen. Hij verlaagt de rente niet omdat de president erom vraagt, maar omdat de inflatie het toelaat. Dat de president ondertussen krijgt wat hij wil, is voor Warsh meegenomen, maar niet het doel.