Thijs Jochems: Het uitsluiten van Defensie in ESG-beleid, een gotspe?

Thijs Jochems: Het uitsluiten van Defensie in ESG-beleid, een gotspe?

Thijs Jochems_980x600.jpg

In het jaar 410 plunderde Alarik, leider van de Visigoten, de stad Rome. Deze nederlaag betekende het begin van het einde voor het West-Romeinse Rijk, een imperium dat al zo’n tweehonderd jaar vrede binnen zijn rijksgrenzen kende. Toen was al duidelijk: elk politiek en/of rechtssysteem heeft voor zijn instandhouding voldoende fysieke macht nodig.
 
Door Thijs Jochems, Adviseur en Private Investor

 

De Romeinen hadden dit principe onvoldoende gepraktiseerd. Is dit in West-Europa nu wederom het geval? En wat is de relatie met de ESG-politiek van beleggers?

ESG-charters zijn sterk gericht op het realiseren van een menswaardiger samenleving, waar geen plaats is voor zaken als corruptie, klimaatverslechtering en dergelijke. De meeste ESG-charters van zowel families als institutionele beleggers sluiten beleggen in oorlogsmateriaal in meer of mindere mate uit. In een recente publicatie van Barron’s wordt vermeld dat uit data van Morningstar blijkt dat in vrijwel alle ESG-charters aerospace en defense industry als een ‘negative’ wordt aangemerkt. Nog geen 2% (!) van de fondsen staat beleggen in deze industrieën toe. Ergo, in een democratie die vrijelijke definiëring van ESG-charters toestaat, wordt defensie als niet gewenst beschouwd. Enigszins hypocriet?

In een van de interessantste boeken die ik ooit heb gelezen, ‘The Secret of Our Success’ (2015), beschrijft Professor Joseph Henrich, Docent Human Evolutionary Biology aan Harvard University, hoe de interactie tussen cultuur en biologische evolutie plaatsvindt. Revolutionair in zijn benadering is dat hij de biologische evolutie gedreven ziet door cultuur. Oftewel, de instituties die een cultuur kenmerken, zijn overwegend bepalend voor de biologische evolutie. Het uitgangspunt van Henrich is dat mensen worden gedreven door het streven naar dominantie en macht.

Deze kijk op de ontwikkeling van de mensheid, waarin culturele instituties bepalend zijn voor de (biologische) ontwikkeling van het menselijke ras en zijn samenlevingen, vertoont een verrassende overeenkomst met wat Daron Acemoglu en James Robinson in ‘Why Nations Fail’ (2012) schrijven. Deze twee economen waren zeer geïnteresseerd in het waarom van zowel het ontstaan als het voortbestaan van de ‘inequality’ tussen en binnen landen. Zij geven een voorbeeld dat als een rode draad door het boek loopt. Dat voorbeeld is het stadje Nogales, dat voor de ene helft in de Verenigde Staten en voor de andere helft in Mexico ligt. Het welvaartsverschil tussen de twee helften van Nogales is enorm. De verklaring die Acemoglu en Robinson hiervoor geven, is gelegen in de verschillen tussen de instituties in Mexico en de VS. In het verleden hebben elites in Zuid-Amerika door machtsuitoefening een politiek systeem gecreëerd dat ongelijkheid bevordert. In de VS heeft de ontwikkeling van de instituties tot meer welvaart en een minder ongelijk verdeelde samenleving geleid. In de visie van Acemoglu en Robinson zijn het de politieke instituties die bepalend zijn voor zowel economische ontwikkeling als de verdeling ervan en niet andersom. Macht is daarbij een zeer bepalende factor bij de totstandkoming én het behoud van wat er is.

De vrijheid die we in de westerse democratieën hebben om onze ESG-charters te definiëren naar onze eigen inzichten en die, binnen toegestane grenzen, te ‘enforcen’, is een groot goed. We lijken in ons streven naar een menswaardiger samenleving wel wat doorgeschoten door defensie en de financiering ervan zo ongeveer uit te sluiten in de ESG-charters. Aandacht in de ESG-charters voor het behoud van de democratische rechtsstaat en defensie als een noodzakelijke voorwaarde daarvoor zou in ieder geval op de instemming van de inwoners van het voormalige West-Romeinse Rijk kunnen rekenen.

 

 

Attachments