Bruno de Haas: In een superspagaat naar de vrije oefening

Bruno de Haas: In een superspagaat naar de vrije oefening

De ruimte voor een vrijer beleggingsbeleid lonkt in het nieuwe pensioenstelsel. Maar op weg daarnaartoe gaat het oude stelsel strakker knellen. De keuze draait om bijziend beleggen of de blik gericht houden op de lange termijn.
Eindelijk gaat het pensioenstelsel rekenen zoals het hoort te rekenen: met een verwacht rendement. Pensioenfondsen beleggen immers omdat zij daarmee rendement willen behalen voor de deelnemers. Dat rendement is niet gegarandeerd. Natuurlijk niet. Maar het uitzicht op rendement is de enige reden waarom iemand zijn spaargeld aan een pensioenfonds zou moeten toevertrouwen. Voor een risicovrije rente kun je ook terecht bij de bank.
   
In 2026 is het zover. Maar tot die tijd blijft het de risicovrije rente die pensioenfondsen diagnosticeert, aan de hand van de dekkingsgraad. Die diagnose is nu ongenadig hard, want de rente is nul. Veel fondsen worden daarom ziek verklaard. Zij kunnen immers de toegezegde pensioenen niet uitkeren. Dat wil zeggen: uitgaande van nul procent rendement. Maar een pensioenfonds dat geen rendement verwacht, zou zich moeten afvragen wat zijn bestaansrecht is.
   
Het is vaak gezegd. Wie een zeker pensioen wil, moet in staatsleningen beleggen, een hoge premie betalen en zich blootstellen aan koopkrachtverlies door inflatie. Wie geen torenhoge premie overheeft voor pensioen en zich wil beschermen tegen inflatie, moet juist in andere zaken beleggen dan goudgerande staatsleningen. En onzekerheid accepteren. De dekkingsgraad gaat uit van het eerste, de meeste pensioenfondsen doen het tweede. Zie daar de spreekwoordelijke spagaat tussen nominale zekerheid en reële ambitie.
   
Het nieuwe stelsel stopt deze spagaat door nominale zekerheid naar het land der fabelen te verwijzen. De onzekerheid van beleggingsrisico wordt tastbaar doordat pensioen gaat meebewegen met het vermogen en het verwachte rendement daarop, het projectierendement. In dat projectierendement zit een eigenaardig stukje beschermingsrendement. Dit is het rendement op staatsleningen dat deelnemers, en vooral gepensioneerden, moet beschermen tegen een daling van de rente. Maar waartegen beschermt een rente van bijna nul iemand precies? Alleen tegen kapitaalverlies. Niet tegen een geniepiger soort dief, genaamd inflatie. In de huidige omgeving is het beschermingsrendement een gegarandeerd koopkrachtverliesrendement.
   
Desondanks geeft het nieuwe stelsel meer bewegingsruimte voor fondsen. Zij krijgen meer vrijheid om beleggingsrisico te nemen op basis van verwacht rendement. Zonder dekkingsgraad en zonder solvabiliteitsbuffers die de ene beleggingscategorie kunstmatig aantrekkelijker maken dan de andere. De enige beperking in het nieuwe stelsel is de hoeveelheid risico die deelnemers willen nemen. Bevrijd van de dekkingsgraad kunnen fondsen vervolgens beleggen voor de lange termijn.
   
Helaas geeft het oude stelsel zich niet zonder slag of stoot gewonnen. Vlak voor de start van het nieuwe stelsel bijt het nog één keer venijnig van zich af. Want dan berekenen fondsen hoeveel geld elke deelnemer meeneemt naar het nieuwe stelsel. Dat kan op twee manieren. De eerste is bijna niet uit te leggen (value based ALM). De andere is eenvoudig en bekend. Je waardeert de pensioenvoorziening tegen de risicovrije rente. Kortom, je rekent af tegen die verfoeide dekkingsgraad.
   
Dit zet pensioenbeleggers voor het blok. Om te voorkomen dat de dekkingsgraad vlak voor de overgang wegzakt, hebben ze op korte termijn immers veel beschermingsrendement nodig. U weet wel, dat rendement waarvoor een langetermijnbelegger terugdeinst omdat het uiteindelijk bijna nergens tegen beschermt. Kortom, de vrije oefening komt eraan. Maar eerst vijf jaar navelstaren in superspagaat.