M&G: Niet innovatie, maar opschaling is het echte probleem van Europa
M&G: Niet innovatie, maar opschaling is het echte probleem van Europa
Terwijl Amerikaanse technologiebedrijven de afgelopen jaren zijn uitgegroeid tot megacaps, raakt Europa op dit vlak steeds verder achterop. Volgens Niranjan Sirdeshpande van M&G Investments is die kloof te herleiden tot het opschalingsproces. ‘Juist daar liggen kansen voor investeerders die willen bijdragen aan de groei van bedrijven die de Europese economie van de toekomst vorm kunnen geven.
Door Michiel Pekelharing
|
Niranjan Sirdeshpande Niranjan Sirdeshpande is Hoofd van de Catalyst-strategie bij M&G Investments en gevestigd in Londen. Het Catalyst-team investeert in toonaangevende technologieen life sciences-bedrijven die een positieve impact hebben op maatschappij en milieu. Hij heeft succesvol transacties uitgevoerd in sectoren zoals life sciences, schone energie, enterprise SaaS, fintech/consumentenkrediet en microfinanciering. Daarnaast vertegenwoordigt hij M&G in de raad van bestuur en investeringscommissies van diverse portfoliobedrijven. |
Europa heeft aanzienlijk minder megacaps in strategische sectoren zoals technologie dan de VS. Wat is de oorzaak van dat grote verschil? En in hoeverre is die kloof een relevant thema voor professionele beleggers?
‘De belangrijkste misvatting is dat Europa een innovatieprobleem zou hebben. Dat is niet juist. Europa beschikt over wetenschap en onderzoek van wereldklasse. Als je kijkt naar universiteiten, onderzoeksinstituten en de kwaliteit van deeptech-innovatie, dan kan Europa zich zonder moeite meten met de Verenigde Staten en China. Het probleem zit een stap verder in de waardeketen. Europa heeft geen innovatieprobleem, maar een industrialisatieprobleem. We zijn zeer goed in het genereren van ideeën en technologische doorbraken, maar minder goed in het opschalen daarvan tot wereldwijd leidende bedrijven. En dat is precies waar megacaps ontstaan.
In de VS zie je dat succesvolle technologiebedrijven doorgroeien tot enorme platforms met schaal, netwerkeffecten en marktdominantie. In Europa blijven veel bedrijven daarentegen steken in een tussenfase, worden ze vroegtijdig overgenomen, of verplaatsen ze zich naar andere markten waar meer groeikapitaal beschikbaar is. Daardoor bouw je simpelweg minder bedrijven die kunnen uitgroeien tot strategische zwaargewichten.
Voor beleggers is juist die beweging heel interessant, want een groot deel van de waardecreatie in de afgelopen decennia is afkomstig van megacaps. Een goed voorbeeld zijn de Magnificent 7. Als Europa die bedrijven niet zelf ontwikkelt, missen beleggers op ons continent structureel rendement én invloed in sectoren die bepalend zijn voor de economie van de toekomst.’
Waar gaat het concreet mis in dat opschalingsproces?
‘De kern zit in de beschikbaarheid van kapitaal in de groeifase. In de vroege fase waarin bedrijven een waarde hebben van hooguit 15 miljoen, functioneert het Europese ecosysteem goed. Europese investeerders zijn daar sterk vertegenwoordigd. Ruim 80% van het kapitaal in die fase komt uit Europa zelf. Maar zodra bedrijven doorgroeien en grotere financieringsrondes nodig hebben, zie je een duidelijke verschuiving. Bij investeringen vanaf circa € 100 miljoen zijn buitenlandse partijen goed voor ongeveer de helft van het kapitaal. Dat is een fundamenteel probleem.
Europese beleggers financieren wel het vroege, risicovolle stadium waarin technologie nog moet bewijzen dat het werkt. Maar ze nemen niet of onvoldoende deel aan de fase waarin bedrijven echt opschalen en waarde creëren. Dat is precies de fase waarin toekomstige megacaps ontstaan. Daar worden bedrijven internationaal, bouwen ze schaal, versterken ze hun concurrentiepositie, en realiseren ze de grootste waardesprongen. Als je daar als regio niet voldoende in investeert, geef je die waardecreatie deels uit handen. In de VS is dat anders georganiseerd. Daar zijn diepe pools van privaat kapitaal beschikbaar, met name vanuit institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en endowments. Die investeren actief in groeibedrijven, waardoor bedrijven langer privaat kunnen blijven en in die fase exponentieel kunnen groeien.’
Waarom is juist die groeifase zo cruciaal voor het ontstaan van megacaps?
‘De groeifase is het moment waarop een bedrijf de sprong maakt van een veelbelovende technologie naar een schaalbare onderneming. In venture capital zit je nog in een fase waarin het fundamentele risico is of de technologie wel of niet werkt. Dat is een binaire uitkomst. In de groeifase is een belangrijk deel van dat risico al genomen. Het product werkt, er zijn klanten, er is bewijs van tractie. Maar het bedrijf moet nog bewijzen dat het kan opschalen naar meerdere markten, grotere volumes, en een robuust businessmodel. Dat opschalen vereist kapitaal, maar ook geduld. Zeker bij deeptechbedrijven, zoals in halfgeleiders, energieopslag of quantum computing, duurt het simpelweg langer voordat een technologie volledig commercieel volwassen is.
In de VS wordt die fase gefinancierd door grote institutionele beleggers. Daardoor kunnen bedrijven langer investeren, blijven ze privaat, en bouwen ze in die periode enorme waarde op. Een groot deel van de waardecreatie vindt tegenwoordig plaats vóór een beursgang. In Europa ontbreekt dat mechanisme nog gedeeltelijk. Daardoor zie je dat bedrijven ofwel te vroeg naar de beurs gaan, ofwel afhankelijk worden van buitenlands kapitaal. In beide gevallen verlies je als regio een deel van de controle én van de waardecreatie.’
In hoeverre speelt het verschil tussen de Europese en Amerikaanse marktstructuur hierin mee?
‘Dat speelt zeker een rol. De Verenigde Staten zijn in essentie één geïntegreerde markt met uniforme regelgeving. Bedrijven kunnen relatief eenvoudig opschalen over staten heen. Europa is gefragmenteerder. Verschillende landen, verschillende regels, verschillende belastingstelsels. In sectoren zoals gezondheidszorg en financiële dienstverlening vormt dat nog steeds een barrière voor snelle schaalvergroting.
Tegelijkertijd zie je dat hier vooruitgang wordt geboekt. Er is steeds meer aandacht voor harmonisatie van regelgeving en het versterken van de interne markt. Dat is essentieel, want schaal is cruciaal voor het bouwen van technologiebedrijven van wereldklasse.
Wat vaak wordt onderschat, is dat Europa ook voordelen heeft. Regelgeving is misschien trager, maar wel voorspelbaar en stabiel. Voor bedrijven die lange ontwikkelcycli hebben, zoals deeptechbedrijven, is dat juist een belangrijke factor. Het stelt hen in staat om langetermijnbeslissingen te nemen zonder het risico van plotselinge beleidswijzigingen.’
Waar ligt dan concreet de beleggingskans voor institutionele beleggers?
‘De kans ligt precies in het segment tussen venture capital en private equity. Die groeifase noemen we ook wel growth equity. Dat is een segment dat in Europa nog onvoldoende ontwikkeld is, maar waar juist veel waarde kan worden gecreëerd. Venture capital brengt bedrijven tot het punt van product-market fit. Private equity stapt in wanneer bedrijven volwassen, winstgevend en vaak al stabiel zijn. Daartussen zit een fase waarin bedrijven geografisch, operationeel en commercieel moeten groeien. Dat is kapitaalintensief, maar ook het moment waarop ze exponentieel kunnen groeien.
Voor beleggers biedt dat een aantrekkelijk risico-rendementsprofiel. Het is minder risicovol dan venture capital, omdat de technologie al deels bewezen is. Tegelijkertijd biedt het meer groeipotentieel dan traditionele private equity, waar de nadruk vaak ligt op optimalisatie en efficiëntie. Voor institutionele beleggers is dit een logische uitbreiding van de portefeuille. Het vult een gat dat nu nog vaak onbenut blijft.’
Hoe past dit segment binnen een professionele portefeuille? Is het onderdeel van private equity, of wordt het gezien als een alternatieve categorie?
‘Als je kijkt naar de meeste private marketsportefeuilles, zie je vaak een duidelijke allocatie naar venture capital en naar buyout private equity. Wat ontbreekt, is exposure naar de groeifase. Dat heeft twee gevolgen. Ten eerste mis je een belangrijk deel van de waardecreatie. Ten tweede is je risicoprofiel minder gebalanceerd. In venture capital neem je binaire risico’s. In private equity ligt de nadruk op operationele verbetering en financiële structuren. Growth equity zit daar precies tussenin. Het risico verschuift naar adoptie en schaalbaarheid.
Door ook in dat segment te investeren, spreid je risico’s over verschillende fases van de bedrijfslevenscyclus. Je bouwt een portefeuille die minder afhankelijk is van één type risico of één type uitkomst. Daarnaast sluit het uitstekend aan bij de langetermijnhorizon van institutionele beleggers. Pensioenfondsen en verzekeraars hebben verplichtingen die decennia vooruit liggen. De bedrijven waarin wij investeren, creëren juist over die tijdshorizon waarde. Het is dus niet alleen een diversificator in termen van risico, maar ook in termen van tijdshorizon en rendementspatronen.’
Wat is een goed voorbeeld van een bedrijf dat in deze fase zit?
‘Een goed voorbeeld is Nearfield, een Nederlands deeptechbedrijf waarin wij hebben geïnvesteerd. Het is actief in semiconductor metrology. Die technologie is essentieel voor het meten en verbeteren van chip-productie. We weten allemaal dat halfgeleiders de basis vormen voor AI en de digitale economie. Maar wat vaak minder zichtbaar is, zijn de bedrijven die vooruitgang mogelijk maken. Nearfield is zo’n bedrijf. Toen wij instapten, had het een sterke wetenschappelijke basis, maar stond het nog aan het begin van commercialisatie. Inmiddels heeft het een productiefaciliteit ontwikkeld, meerdere klanten aangetrokken en is het duidelijk op weg naar verdere schaal.
Dit is precies het type bedrijf dat kan uitgroeien tot een sleutelspeler in een strategische sector. Als Europa erin slaagt dit soort bedrijven te ondersteunen in hun groeifase, kunnen hier de toekomstige Europese technologiereuzen ontstaan. Dat is waar de kansen liggen voor zowel de economie van Europa als voor beleggers.’
Hoe ziet de exit-strategie eruit in dit segment?
‘Onze strategie is om bedrijven op te bouwen tot een niveau waarop ze klaar zijn voor de publieke markt. Dat betekent dat ze beschikken over schaal, governance, voorspelbaarheid en operationele kwaliteit. Dat proces is op zichzelf al waardecreërend. Je bouwt een organisatie met sterke processen, goed management en robuuste systemen. Dat maakt het bedrijf aantrekkelijk voor verschillende soorten kopers. De exit kan via een beursgang verlopen, maar ook via een verkoop aan een strategische partij of aan private equity. Het belangrijkste is dat je optionaliteit creëert. Door bedrijven naar een hoog kwaliteitsniveau te brengen, ben je niet afhankelijk van één exitroute. Je kunt inspelen op marktomstandigheden en kiezen wat op dat moment de beste waarde oplevert. Dat is een belangrijk verschil met eerdere fases, waar exits vaak beperkter zijn. In de groeifase bouw je flexibiliteit in.’
Waarom is dit juist nú een interessant moment voor beleggers om hierop in te spelen?
‘Omdat we op een kantelpunt zitten. De kloof tussen Europa en de VS is de afgelopen jaren steeds duidelijker zichtbaar geworden. Er komt meer aandacht voor de noodzaak om die te dichten. Tegelijkertijd is er in Europa voldoende kapitaal beschikbaar om dit probleem op te lossen. Het gaat niet om een gebrek aan middelen, maar om de allocatie daarvan.
Daarnaast zorgt het huidige marktklimaat, met meer onzekerheid en minder overvloedig kapitaal, voor aantrekkelijkere instapmomenten. Waarderingen zijn realistischer en de concurrentie om deals is minder intens. Als beleggers nu instappen in de groeifase van Europese technologiebedrijven, positioneren ze zich voor de volgende generatie waardecreatie. Niet alleen vanuit rendementsperspectief, maar ook vanuit strategisch belang. Want uiteindelijk gaat het hier om meer dan rendement alleen. Het gaat om het bouwen van de bedrijven die de Europese economie van de toekomst vormgeven, waarbij onze strategie een rol speelt om de waarde die hierbij ontstaat ook binnen Europa te houden.’
|
IN HET KORT Europa heeft geen innovatieprobleem, maar een industrialisatieprobleem, waardoor bedrijven minder vaak opschalen tot megacaps. Door gebrek aan groeikapitaal worden bedrijven al vroeg verkocht of verhuizen ze naar markten met meer financiering. Juist in de groeifase ontstaat de meeste waarde. Die geeft Europa nu deels uit handen. Voor beleggers is de groeifase aantrekkelijk door een gunstig risicorendementsprofiel. Investeren in Europese growth equity biedt kansen op rendement én strategische invloed. |
Lees hier het volledige interview