Pim Rank: CRD VI - bankdiensten uit derde landen in de ban?
De gewijzigde richtlijn kapitaalvereisten (CRD VI) maakt het voor buiten de EU gevestigde ondernemingen een stuk moeilijker om in de EU bankdiensten te verlenen. De vraag is of de voorgestelde beperkingen in proportie zijn.
Door Door Prof. Mr. Pim Rank, Advocaat bij NautaDutilh te Amsterdam en Hoogleraar Financieel Recht aan de Universiteit Leiden
CRD VI verplicht EU-lidstaten hun wetgeving zodanig aan te passen, dat banken uit derde landen die in de betreffende EU-lidstaat deposito’s aantrekken, krediet verlenen of garanties verstrekken, een bijkantoor in deze EU-lidstaat moeten openen en voor dat bijkantoor over een vergunning moeten beschikken. Banken uit derde landen worden in dit verband gedefinieerd als in een derde land gevestigde ondernemingen die onder de EUregels als kredietinstellingen zouden worden aangemerkt als zij in de EU zouden zijn gevestigd. Het gaat aldus om ondernemingen die deposito’s en andere opvorderbare gelden aantrekken van het publiek en kredieten verstrekken voor eigen rekening.
CRD VI noopt ook tot het aanscherpen van het verbod op het aantrekken van opvorderbare gelden. Dit verbod is thans in Nederland beperkt tot het aantrekken van opvorderbare gelden van het publiek. Het aantrekken van opvorderbare gelden van professionele marktpartijen is wel toegestaan. Na de implementatie van CRD VI zal het echter voor een onderneming uit een derde land – ongeacht of het een bank betreft of niet – ook verboden zijn om opvorderbare gelden aan te trekken van anderen dan het publiek. Dit betekent dat het aantrekken van opvorderbare gelden van professionele marktpartijen door een onderneming uit een derde land niet meer is toegestaan, behalve via een bijkantoor met een vergunning.
De consequenties van de implementatie van CRD VI in Nederland zijn groot. Zo is het vanuit een derde land verstrekken van leningen in Nederland momenteel ongereguleerd (behalve aan consumenten). Na de implementatie van CRD VI zal dit alleen nog mogelijk zijn als de leningen worden verstrekt door een niet-bank, oftewel een partij die niet ook deposito’s en andere opvorderbare gelden aantrekt van het publiek. Het alternatief is het openen van een bijkantoor in Nederland en het aanvragen van een vergunning. Waar op dit moment nog vanuit een derde land in Nederland opvorderbare gelden kunnen worden aangetrokken van professionele marktpartijen, is na de implementatie van CRD VI ook daarvoor een bijkantoor in Nederland met een vergunning vereist.
Deze restricties zullen het voor ondernemingen uit derde landen een stuk moeilijker maken om op de Europese markt actief te zijn. Dat geldt zowel voor het verstrekken van leningen aan in de EU gevestigde partijen als voor het aantrekken van opvorderbare gelden van in de EU gevestigde partijen. Omdat dit alles in de praktijk op grote schaal gebeurt, rijst de vraag of de voorgestelde beperkingen echt nodig zijn. Ik kan mij goed voorstellen dat het wenselijk is om in de EU een geharmoniseerd toezichtkader te creëren voor bankdiensten uit derde landen. Ik kan mij ook voorstellen dat het wenselijk is om in de EU gevestigde deposanten meer bescherming te bieden tegen het kredietrisico dat zij lopen op wederpartijen uit derde landen. Anderzijds is de impact van de nieuwe regels op het businessmodel van deze wederpartijen significant en zijn de voorstellen niet echt in proportie met de risico’s. Vanuit die optiek lijkt hier eerder sprake van Europees protectionisme.
Het implementatieproces is op dit moment nog in volle gang. De bedoeling is dat de nieuwe regels vanaf 11 januari 2027 van toepassing zullen zijn. Daarbij geldt er een overgangsregeling voor contracten die voor 11 juli 2026 zijn gesloten.
Lees het volledige artikel in Financial Investigator magazine