Harry Geels: Een pleidooi voor een inflatie-index
Inflatie wordt normaal gesproken gemeten in percentages, maar het is zinvoller om het bij te houden in een index, net zoals we dat bij beursindices doen. Een index toont veel beter de langetermijngevolgen van inflatie, voorkomt interpretatieproblemen én levert interessantere inzichten op.
Door Harry Geels
Inflatie is voor veel mensen een lastig begrip. Officiële instanties drukken het uit als een percentage: de prijsstijging ten opzichte van twaalf maanden geleden. Daarbij gebruiken ze diverse definities, zoals headline inflation en core inflation (zonder energie en voedsel, omdat deze te grillig zouden zijn). Veel mensen vinden procentuele veranderingen echter moeilijk te interpreteren. Vooral het compounding‑effect – het stapelen van inflatie over de jaren – verdwijnt volledig uit beeld. Daarom is het beter te werken met inflatie‑indices.
1) Een inflatie‑index pakt het cognitieve probleem aan
Het weergeven van inflatiecijfers in percentages creëert allerlei problemen omdat veel mensen moeite hebben zulke verhoudingen te begrijpen. ‘€20 duurder’ is intuïtief veel begrijpelijker dan ‘+8%’. Toezichthouders verplichten vermogensbeheerders daarom kosten zowel in percentages als in bedragen te rapporteren. In de gedragswetenschap staat dit bekend als de Exponential Growth Bias: mensen denken lineair, terwijl inflatie exponentieel werkt. Daardoor onderschatten ze structureel de werkelijke impact van inflatie.
2) Een inflatie‑index laat het compounding‑effect zien
De grootste fout in de communicatie over inflatie is dat we doen alsof het uitsluitend jaar‑op‑jaar relevant is. Maar in werkelijkheid stapelt inflatie intertemporeel op. Een inflatie‑index maakt dat zichtbaar: 3% + 4% + 6% is geen ‘13%’, maar bijna 14% stijging van het prijsniveau. Sinds de coronacrisis is de inflatie‑index met meer dan 30% opgelopen. Wie dat niet gecompenseerd zag via loon of pensioen, heeft reëel ingeleverd.
3) Een inflatie‑index maakt inflatie voelbaar door de tijd
Een derde voordeel is dat een index inflatie visueel en evolutionair maakt. Net als bij beursgrafieken kunnen we koopkrachtschade door de tijd volgen en vergelijken. Dit maakt het mogelijk terug te kijken naar specifieke perioden — bijvoorbeeld sinds corona of sinds het uiteenvallen van Bretton Woods — en om beleid niet op momentopnames, maar op cumulatieve effecten te beoordelen. Een index toont de totale schade, niet slechts het tempo daarvan. Laten we van dit derde voordeel een uitgebreid voorbeeld bespreken.
Langetermijnanalyse van inflatie‑indices
Het pleidooi om inflatie‑indices breder te hanteren, richt zich vooral op officiële instanties en media. In de financiële wereld worden ze weleens gebruikt. Een recent voorbeeld van een langetermijnanalyse van een inflatie-index komt van Jim Reid van Deutsche Bank. Hij presenteerde niet alleen een rijk historisch tijdsbeeld, maar ook drie interessante observaties over hoe inflatie door de eeuwen heen zich heeft ontwikkeld.

Twee kanttekeningen vooraf. Ten eerste: een ‘wereldwijde mediaan’ over meer dan achthonderd jaar voegt onvermijdelijk heterogene landendata en indirecte maatstaven samen. Zie het daarom als een gestileerde historische reconstructie en niet als één exact inflatiecijfer. Ten tweede gaat het om een logaritmische grafiek: een nominale grafiek zou de prijsstijgingen nog veel steiler laten zien.
Observatie 1 – Fiat‑systemen zijn inflatoir
Reids langetermijnreeks laat zien dat prijsniveaus onder fiat‑systemen structureel stijgen, terwijl edelmetaalsystemen (zoals de goudstandaard of Bretton Woods) historisch eerder stabiliteit of mean‑reversion lieten zien. In fiat‑systemen (geld zonder materiële dekking, puur gebaseerd op vertrouwen in de overheid) is de verleiding daarom groot om extra geld te creëren of rentes te laag te houden, zeker in crisistijd. Vaak wordt het bestrijden van de crisis belangrijker geacht dan koopkrachtbehoud. Vooral sinds het einde van Bretton Woods (1971) is het wereldwijde inflatietempo hoger en hardnekkiger geworden.
Observatie 2 – Oorlogen zijn inflatoir
Grote sprongen in het prijsniveau vallen vrijwel altijd samen met oorlog of acute fiscale nood. De Franse Assignats, de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog en de Burgeroorlog: telkens werd de oorlog gefinancierd met papieren, ongeankerde valuta’s die sterk in waarde daalden. In de twintigste eeuw veroorzaakten de wereldoorlogen wederom forse prijsstijgingen. De les is consistent: grote begrotingstekorten leiden bijna altijd tot monetaire verruiming en uiteindelijk tot inflatie. Terzijde, Milton Friedman noemt inflatie veroorzaakt door overheidsbestedingen ook wel ‘hidden taxation’.
Observatie 3 – Deflatoire technologieën worden vaak geneutraliseerd door beleid
Nieuwe technologieën en globalisering drukken op zichzelf al de prijzen: meer productiviteit, grotere schaal, meer concurrentie. Maar in fiat‑systemen worden deze deflatoire krachten vaak tenietgedaan door lage(re) rentes, balansverruiming en ruim fiscaal beleid, vooral na crises. Hierdoor daalt de consumentenprijsinflatie minder dan technologische vooruitgang zou suggereren, terwijl een deel van de monetaire stimulans naar assets uitwaaiert of daar naartoe doorsijpelt.
Stijgende huizen- en aandelenkoersen vergroten bovendien de vermogensongelijkheid. De BIS spreekt daarom van een ‘distributional footprint’ van monetair beleid. Technologische deflatie wordt zo deels geneutraliseerd, terwijl prijsniveaus van goederen, diensten én beleggingen juist oplopen.
Slot: waarom een inflatie‑index onmisbaar is
Wanneer we de cognitieve voordelen van een inflatie‑index – het wegnemen van percentage‑bias, het zichtbaar maken van compounding en het tastbaar maken van koopkracht door de tijd – combineren met de langetermijnobservaties van Reid, ontstaat een samenhangend en overtuigend beeld. Een inflatie‑index dwingt ons te erkennen wat de geschiedenis van geld ons al eeuwen laat zien: dat fiat‑systemen structureel inflatoir zijn, dat oorlogen en fiscale nood inflatiegolven veroorzaken, en dat technologische deflatie vaak wordt overstemd door monetair en fiscaal beleid dat juist inflatie en asset‑inflatie genereert.
Door inflatie in een index te vatten, zien we niet alleen hoe groot de koopkrachtverschuiving werkelijk is, maar ook hoe beleidsregimes die verschuiving bepalen. Het is precies die combinatie – heldere meting én historisch perspectief – die nodig is om het inflatiedebat te ontdoen van ruis en zo burgers, beleggers en beleidsmakers eindelijk een eerlijker koopkrachtkompas te geven.
Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels