Han Dieperink: De illusie van inflatie

Han Dieperink: De illusie van inflatie

Inflatie

Officiële inflatiecijfers meten wat duurder wordt, maar hebben geen oog voor wat beter wordt. Wie de lange geschiedenis van welvaart eerlijk bekijkt, ziet geen netto inflatie, maar netto deflatie: voor hetzelfde geld, of zelfs minder, krijgen mensen steeds meer. Dat inzicht ontbreekt vrijwel volledig in het publieke debat.

Door Han Dieperink, geschreven op persoonlijke titel

Een middeleeuwse kasteelheer in een stenen burcht, met vochtige muren en tochtige gangen, werd in zijn tijd gezien als het summum van luxe. ‘s Winters huiverde hij bij een open vuur dat de helft van de warmte de schoorsteenpijp instuurde. Hij at wild en pap, hij dronk water dat regelmatig besmet was, en hij stierf gemiddeld ruim voor zijn vijftigste. Zijn bibliotheek telde misschien honderd handgeschreven boeken, onbetaalbare luxe. Pijn werd bestreden met kruiden en gebed. Een reis van Amsterdam naar Parijs duurde meerdere dagen en was een gevaarlijk avontuur.

Tegenwoordig heeft de doorsnee bewoner van een rijtjeshuis in Amersfoort of Breda het beter voor elkaar. Centrale verwarming houdt elke kamer op exact de gewenste temperatuur. De koelkast bevat producten uit alle windstreken: mango's in januari, Noorse zalm op woensdag, Italiaanse olijfolie het hele jaar. Een dokter is binnen vijftien minuten te bereiken en schrijft medicijnen voor die ziekten genezen die vroeger dodelijk waren. Op een schermpje ter grootte van een hand draagt hij de gehele menselijke kennisproductie bij zich: miljoenen boeken, wetenschappelijke artikelen, muziek uit alle eeuwen, kaarten van elke plek op aarde. Parijs is slechts enkele uren reizen. De kasteelheer had voor al deze voorrechten zijn complete fortuin geofferd en hij had ze toch niet kunnen kopen, want ze bestonden nog niet.

Wat de prijsindex niet meet

Het Centraal Bureau voor de Statistiek, Eurostat en het Amerikaanse Bureau of Labor Statistics meten inflatie door een vast mandje producten en diensten jaar op jaar te vergelijken. Dat is methodologisch begrijpelijk, maar het levert een fundamenteel vertekend beeld op. De prijsindex meet namelijk uitsluitend wat duurder is geworden en niet wat beter is geworden. Een smartphone die vorig jaar 800 euro kostte en dit jaar 820 euro kost, telt als inflatie. Maar als die smartphone ondertussen vier keer zo snel rekent, drie keer zo goed fotografeert en tien nieuwe functies heeft gekregen, dan is er per eenheid prestatie sprake van deflatie. De consument krijgt meer voor zijn geld, maar de statistiek registreert het omgekeerde. Wie vroeger een euro moest betalen voor het versturen van een brief, kan tegenwoordig duizenden e-mails versturen voor niks.

Economen noemen dit het kwaliteitsaanpassingsprobleem. Hedonische prijsindices proberen hier rekening mee te houden. Het Bureau of Labor Statistics past de prijzen van computers en televisies gedeeltelijk aan voor kwaliteitsverbeteringen, maar de toepassing is beperkt en inconsistent. Voor de meeste productcategorieën, en zeker voor de allerbelangrijkste welvaartswinsten van de afgelopen decennia, ontbreekt elke correctie. Hoeveel is gratis toegang tot Wikipedia waard? Hoeveel kost het om alle muziek die ooit is opgenomen te kunnen beluisteren voor tien euro per maand? Hoeveel is een navigatiesysteem waard dat vroeger alleen beschikbaar was voor de rijkste weggebruikers? Al deze voorzieningen zijn niet of nauwelijks terug te vinden in de inflatiemeting, simpelweg omdat ze grotendeels gratis zijn of omdat de prijs drastisch is gedaald.

De technologische deflatiemachine

De Wet van Moore, het verdubbelen van rekenkracht per chip elke twee jaar, heeft de afgelopen vijftig jaar een ongekende deflatoire kracht ontketend. Rekenkracht die in 1970 een volledig universitair rekencentrum vergde, past vandaag in een horloge. De prijs per berekening is met een factor van miljarden gedaald. Hetzelfde geldt voor data-opslag, communicatie, DNA-sequencing en zonne-energie. In al deze sectoren is de werkelijke prijs per eenheid nuttige output met tientallen procenten per jaar gedaald, een deflatoir tempo dat geen enkele officiële index registreert, omdat de prijzen worden gemeten in nominale euro's per product en niet in euro's per eenheid waarde.

Neem de medische zorg. Een blindedarmoperatie kostte in 1960, gecorrigeerd voor algemene prijsstijging, ongeveer evenveel als vandaag. Maar in 1960 was de kans op een fatale complicatie aanzienlijk hoger, duurde het herstel weken en was er geen anesthesiologie die de ingreep vrijwel pijnloos maakte. De prijs is gelijk gebleven, maar de kwaliteit is drastisch gestegen. Gemeten per eenheid overlevingskans of per hersteldag is de medische zorg goedkoper geworden, niet duurder. Datzelfde geldt voor luchtvaart, voor voeding, voor kleding, voor auto's. In bijna elke sector geldt: de prijs stijgt minder snel dan de kwaliteit. En er komt nog veel meer, we zijn pas net aan het hoofdstuk van kunstmatige intelligentie begonnen.

Informatie als de grootste gratis lunch

De econoom Erik Brynjolfsson van MIT heeft berekend dat consumenten jaarlijks duizenden euro's aan consumentensurplus ontlenen aan gratis digitale diensten die niet in het bruto binnenlands product verschijnen. Facebook, Google Maps, YouTube, WhatsApp. Die zijn formeel gratis, dus statistisch onzichtbaar. Toch representeren ze enorme economische waarde. Een middeleeuwse koopman zou een vermogen hebben betaald voor betrouwbare kaarten van Europa, wij gebruiken gedetailleerdere navigatie gratis. De bibliotheek van Alexandrië gold als een der grootste schatten van de beschaving, een smartphone-gebruiker van vandaag heeft toegang tot een informatiearchief dat iedere bibliotheek uit de geschiedenis duizendmaal overtreft.

Dit is de kern van wat er mis is met de manier waarop we welvaart meten. Het bruto binnenlands product telt wat er betaald wordt, maar niet wat er genoten wordt. Inflatie meet wat duurder wordt, niet wat slechter wordt. En omdat welvaart steeds meer bestaat uit kwaliteitsverbetering en digitale overvloed in plaats van uit meer fysieke goederen, groeit de kloof tussen de statistiek en de werkelijkheid met elk decennium.

De politieke economie van de inflatiecijfers

Er is een reden waarom overheden en centrale banken de inflatiecijfers niet grondig hervormen. Hogere gemeten inflatie rechtvaardigt hogere lonen, hogere uitkeringen, hogere pensioenen en hogere rentebetalingen op geïndexeerde staatsobligaties. Een inflatiemeting die de kwaliteitsverbetering volledig meenam, zou waarschijnlijk een structureel lager, en bij eerlijke toepassing misschien zelfs negatief, inflatiecijfer opleveren. Deflatie in plaats van inflatie. Dat zou politiek onaanvaardbaar zijn. Niet omdat het onjuist zou zijn, maar omdat de gehele architectuur van sociale zekerheid, collectieve arbeidsovereenkomsten en begrotingsbeleid op de bestaande methoden is gebouwd. Een beetje inflatie wordt gezien als smeermiddel.

Tegelijkertijd is er een psychologisch mechanisme dat de publieke beleving vertekent. Mensen merken dat brood duurder is geworden, dat is concreet en pijnlijk. Maar ze merken niet dat de smartphone die ze voor hetzelfde geld kopen vijf keer zo krachtig is als vijf jaar geleden, of dat een vliegticket naar Barcelona in reële termen goedkoper is dan tien jaar geleden. Koopkrachtwinsten worden als vanzelfsprekend ervaren, prijsstijgingen worden als onrecht gevoeld. De menselijke psychologie is asymmetrisch, en die asymmetrie kleurt het hele inflatiedebat.

Slot: een eerlijker kompas

Dat betekent niet dat inflatie een fictie is. De prijsstijgingen van de afgelopen jaren in energie, huur en voedsel waren reëel en troffen kwetsbare huishoudens hard. Het monetaire en fiscale beleid dat die inflatie mede heeft veroorzaakt, verdient daarom kritische analyse, zoals Harry Geels in zijn column van deze week betoogt. Maar het debat over inflatie is incompleet zolang het uitsluitend terugkijkt op wat duurder is geworden, zonder recht te doen aan wat beter en goedkoper is geworden.

Op de lange termijn is de richting van de echte koopkracht ondubbelzinnig. De bewoner van de doorzonwoning in Amersfoort leeft comfortabeler, gezonder, informatierijker en veiliger dan de rijkste vorsten uit de geschiedenis. Dat is de grote prestatie van kapitalisme, technologie en handel, die de officiële statistieken structureel onderwaarderen. Een eerlijker koopkrachtkompas zou niet alleen meten wat duurder is geworden, maar ook erkennen wat de economie ons jaar na jaar gratis of goedkoper weggeeft. Pas dan zien we de werkelijke richting van welvaart en die wijst, over de lange termijn, onmiskenbaar naar beneden in prijs en omhoog in waarde.