Harry Geels: Bespiegelingen op een K-vormige economie

Harry Geels: Bespiegelingen op een K-vormige economie

Door Harry Geels

In de Wall Street Journal (WSJ) stond recent een artikel over een groeiende groep vermogenden in de VS die verantwoordelijk is voor het grootste gedeelte van de economische groei. Hieruit zijn vier interessante conclusies te trekken.

Volgens het artikel is het aantal Amerikanen met een vermogen van acht of negen cijfers de afgelopen jaren sterk toegenomen, vooral dankzij hoge economische groei, stijgende aandelenmarkten, private equity en vastgoed. Deze groep is veel groter geworden dan alleen miljardairs en ultraberoemde figuren: het gaat om ondernemers, investeerders en topmensen van grote bedrijven die buiten de schijnwerpers blijven, maar inmiddels een disproportioneel grote economische rol spelen.

Het consumptie‑ en investeringsgedrag van deze ultravermogenden, variërend van luxe woningen en privéonderwijs tot ondernemingen en dienstverlening, heeft een zichtbare invloed op groei, banen en lokale economieën. Daarmee is een steeds groter deel van de Amerikaanse economische dynamiek afhankelijk geworden van een relatief kleine, kapitaalkrachtige bovenlaag: een verschuiving met verstrekkende gevolgen voor ongelijkheid én economische stabiliteit. Er zijn grofweg vier opvallende conclusies.

1) Disproportionele invloed op de economie

De hoogste inkomensgroepen, met name de top 10%, zijn inmiddels goed voor bijna de helft van alle consumentenbestedingen in de VS. Omdat ze goed verdienen, kennen ze weinig remmingen op hun bestedingen. Ze houden geen huishoudboekje bij en hun uitgaven aan luxe reizen, huizen, privéonderwijs, gezondheidszorg en lokale vertierdiensten houden de economie draaiende. Ze vormen zo een schril contrast met de midden- en lagere inkomens, die veel minder te besteden hebben of meer op de centjes moeten letten.

2) Twee snelheden in de economie

De WSJ schetst een steeds duidelijkere K‑vormige economie: aan de bovenkant groeien de welvaart en consumptie door, aan de onderkant blijft de koopkracht onder druk staan door inflatie, hogere rentes en beperkte loongroei. De K‑vormige dynamiek ontstond zichtbaar na covid, maar blijkt hardnekkig. We ontwaren een permanente divergentie (dit in tegenstelling tot het neoliberalisme van de jaren tachtig en negentig: dat leidde aanvankelijk ook tot een K‑economie, waar vrij snel bijna iedereen van profiteerde).

3) Gevolgen voor bedrijven en steden

Een derde observatie is dat bedrijven hun strategie aanpassen door zich te richten op deze kapitaalkrachtige klanten (bijvoorbeeld in luxe, zorg en dienstverlening). Dat verandert ook de lokale economieën: bepaalde buurten, scholen en diensten floreren, terwijl andere achterblijven door een gebrek aan vermogenden. We zien dat woningen rond goede scholen relatief sneller duurder worden. Ook zien we dat in grote steden moderne kantorencentra, luxe woningen en vertier integreren tot mondaine, exclusieve wijken.

4) Kwetsbaarheid van dit model

De WSJ benadrukt terecht dat deze afhankelijkheid van vermogende consumenten de economie kwetsbaarder maakt: als aandelen‑ of vastgoedmarkten dalen en deze groep minder gaat uitgeven, kan dat grote gevolgen hebben voor groei en werkgelegenheid. In onderstaande grafiek zien we relatief veel beweeglijkheid in het vermogen van drie groepen vermogenden, veroorzaakt door prijsbewegingen van ‘assets’. De afhankelijkheid van de beurzen maakt de economie gevoeliger voor ‘animal spirits’.

Heeft Europa ook een K‑vormige economie?

Aanvullend op de WSJ-analyse is de vraag of de K‑vormige economie ook een fenomeen is in Europa. Het korte antwoord daarop is ‘ja’, alleen liggen de percentages anders en bestaan er vanzelfsprekend ook verschillen per land. We kennen hier niet de extreme verhouding waarbij grofweg 10% van de meest verdienenden bijna 50% van alle particuliere bestedingen voor zijn rekening neemt. De sociale vangnetten en herverdelingsmechanismen (via belastingen) zijn hier bovendien groter. Kortom: het is geen homogeen verhaal, maar de richting is vergelijkbaar.

To trickle down or not to trickle down?

Een andere aanvullende vraag is of er sprake is van een trickle‑downeffect. Als (ultra)vermogenden hun bestedingen doen, profiteren daar dan ook restaurants, pretparken of hotels — inclusief het personeel — van? Dat zou enige verlichting van de vermeende ongelijkheid kunnen bieden. Het punt is dat het trickle‑downeffect wel degelijk bestaat, maar deels teniet wordt gedaan door andere krachten, bijvoorbeeld marktmacht van oligopolistische bedrijven en monetair, bancair en overheidsbeleid.

De impliciete richting van de WSJ

Opvallend is dat de WSJ zich, geheel in lijn met haar traditie, vooral diagnostisch opstelt. Toch is de impliciete boodschap duidelijk: een economie die in toenemende mate leunt op de bestedingen en investeringen van de bovenlaag van de bevolking wordt kwetsbaarder en procyclischer. Minder gespreide koopkracht betekent minder demping bij schokken, terwijl de afhankelijkheid van financiële markten toeneemt. De K‑vormige economie is niet zozeer een ongelijkheidsvraagstuk, maar vooral een stabiliteitsvraagstuk.

Een duidelijkere oplossingsrichting

Concreter zou - voor de 90% minder vermogenden - buitensporige marktmacht moeten worden teruggedrongen en monetair en bank- en kredietbeleid inclusiever moeten worden (bijvoorbeeld minder nadruk op asset-inflatie). Niet om vermogensvorming te ontmoedigen, maar om economische dynamiek weer meer te laten steunen op grotere groepen arbeid en ondernemerschap en minder op financiële waardeschommelingen. Geen nivellering dus, maar een bredere en stabielere basis van groei en participatie.

Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels