Harry Geels: Europa spaart zich arm
Door Harry Geels,
Er staat inmiddels meer dan € 14 biljoen aan spaargeld bij Europese banken. Daarmee teren huishoudens in op hun koopkracht, spekken ze de marges van banken en beperken ze het investeringsvermogen dat nodig is voor Europa’s inhaalslag op de VS. Spaarzin is in Europa te veel geïnstitutionaliseerd.
Europa kampt niet met een gebrek aan geld, maar met een gebrek aan besteding ervan. Europese huishoudens sparen structureel meer dan hun Amerikaanse tegenhangers, terwijl bedrijven juist kampen met een tekort aan investeringskapitaal. Zoals uit een analyse van de Financial Times blijkt, zijn de cash- en spaartegoeden inmiddels opgelopen tot circa € 14 biljoen. De gemiddelde spaarquote van Europeanen ligt ruim tweemaal zo hoog als die van Amerikanen (zie hieronder).

Europese politici en toezichthouders zien die groeiende kloof tussen spaargeld en productieve investeringen steeds meer als een rem op economische groei en innovatie. Niet toevallig zijn zowel de Britse als de Nederlandse toezichthouders – respectievelijk de FCA en de AFM – recent campagnes gestart om beleggen aan te moedigen, via tools, educatie en oproepen aan huishoudens. De AFM wil vooral de drempels om te beginnen met beleggen verlagen.
Huishoudens de dupe, banken spinnen garen
Omdat de inflatie tegenwoordig minimaal tweemaal zo hoog ligt als de spaarrente (laat staan de rente op betaalrekeningen), kost de spaarzin de Europeaan veel koopkracht. De eerdergenoemde toezichthouders wijzen er daarom terecht op dat dit op de lange termijn een goed pensioen onder druk kan zetten.
Banken spinnen garen bij die spaardrift. Zij verkrijgen zo een grote ‘pool’ aan middelen die zij tegen een hogere rente bij de ECB kunnen stallen, of met een hefboom tegen hogere rentes kunnen uitlenen. Daarmee vindt feitelijk een ‘wealth transfer’ plaats van spaarders naar de financiële sector. Omdat de Europese spaardrift zo groot is en veel landen worden gekenmerkt door nationale bankoligopolies, kunnen banken reeds lange tijd volstaan met relatief lage spaarrentes.
Een ander gevolg van de spaardrift is dat een groot deel van het kapitaal buiten de productieve economie blijft. En dat terwijl Europa juist méér investeringen nodig heeft, in defensie, voor de energietransitie en voor zijn concurrentiepositie in de wereld van AI.
Institutionele remfactoren
Voor huishoudens is sparen eenvoudig, vertrouwd en vrijwel frictieloos: een rekening openen kost niets en voelt veilig. Beleggen daarentegen vergt kennis en tijd, en kent allerlei drempels, van risicoprofielen en documentatie tot kosten en onzekerheid. Regulering versterkt dit verschil. Europese regels zijn sterk gericht op beleggersbescherming, met uitgebreide informatieverplichtingen en waarschuwingen, waardoor investeren complexer en risicovoller oogt dan het is.
Daarbovenop versterken diepere institutionele structuren deze spaarzin. Ten eerste kent Europa een bankgedreven financieel systeem waarin besparingen vooral worden omgezet in hypotheken en relatief veilige leningen, in plaats van in risicodragend kapitaal voor bedrijven en innovatie, met name in landen waar banken dominant zijn, zoals Duitsland. Ten tweede bevoordelen fiscale prikkels sparen en vastgoed boven beleggen, dat complexer en zwaarder belast is (de nieuwe box-3 belastingen in Nederland zijn in dit kader ook niet behulpzaam).
Ten derde nemen pensioenstelsels in diverse landen een belangrijk deel van de beleggingsfunctie uit handen, waardoor huishoudens (onterecht) zelf minder de noodzaak voelen om risico te nemen. Tot slot zijn de Europese kapitaalmarkten versnipperd: investeren over de grens is relatief ingewikkeld en duur. Het gevolg is een zichzelf versterkend patroon: huishoudens houden hun geld op de bank, zien nauwelijks de opbrengst van beleggen, en bevestigen zo steeds opnieuw de overtuiging dat voorzichtigheid de rationele keuze is.
Bij dit alles komt nog een aantal fundamentele factoren, waarvan demografie de belangrijkste is. Europa vergrijst sneller dan de VS, en oudere huishoudens sparen relatief meer en nemen minder financiële risico’s. Ook speelt de samenstelling van vermogen een rol: een groot deel van het Europese huishoudvermogen zit vast in woningen, waardoor liquide middelen vaker in spaargeld worden aangehouden.
Tot slot: de verkeerde reflex
Een gevolg van bovengenoemde structuren is dat Europa steeds vaker zijn toevlucht neemt tot industriepolitiek. Ook Mario Draghi wijst erop dat de Europese achterstand ten opzichte van de VS alleen kan worden ingehaald met grootschalige investeringen, ondersteund door publiek beleid. Maar daarmee dreigt Europa van de regen in de drup te raken. Waar het echte probleem ligt in het onbenut laten van private spaargelden, kiest Europa ervoor het tekort aan investeringsgeld te compenseren met meer publieke sturing, subsidies en fondsen.
Met een grotere overheidsrol lossen we de onderliggende problemen echter niet op. Het risico is dat kapitaal niet efficiënter, maar juist minder efficiënt wordt ingezet, via de politiek in plaats van via markten. Europa heeft geen tekort aan kapitaal, maar aan een systeem dat dat kapitaal productief weet te mobiliseren. Dat vraagt om een diepere kapitaalmarkt- en bankenunie: minder fragmentatie, meer concurrentie en betere toegang tot risicodragend vermogen voor bedrijven.
Even belangrijk is een culturele verschuiving, beginnend bij financiële educatie: leer burgers niet alleen sparen, maar ook beleggen. Leer mensen dat sparen ook geld kost, in plaats van alleen maar op de risico’s van beleggen te wijzen. Het grootste risico van beleggen is namelijk ‘niet beleggen’. Waarom beginnen kinderen naast sparen niet ook meteen met beleggen? Zo slaan we twee vliegen in één klap: meer koopkracht voor huishoudens en een competitiever Europa.
Dit artikel bevat een persoonlijke opinie van Harry Geels